Nieuws
Home » Artikelen » Wat ging er mis in Sovjet Rusland Deel 2

Wat ging er mis in Sovjet Rusland Deel 2

Deel twee: Isolement en degeneratie van de arbeidersstaat

Nederlagen op internationaal vlak

De machtige bewegingen van de arbeidersklasse die volgden op de Oktoberrevolutie, plaatsten de omverwerping van het kapitalisme doorheen Europa op de agenda.

De overwinning van de arbeidersklasse in de ontwikkelde landen zou vervolgens ook de basis bieden om de verlammende economisch achterstand in Rusland in te halen, en de dreiging van een imperialistische aanval wegnemen.

Zich internationaal organiseren, was essentieel om de in actie tredende arbeiders in de verschillende landen te verengingen en de strijd te leiden tegen de wereldwijde kapitalistische alliantie.

De Tweede Internationale was geen instrument meer voor de arbeiders in hun strijd voor de macht (zie kader). Een nieuwe Internationale moest worden opgebouwd.

De crisis van de leiding van de arbeidersklasse.

Voor 1914 was de Tweede Internationale vastbesloten zich met alle middelen te verzetten tegen imperialistische oorlog, ook via de algemene staking. Wanneer de oorlog echter uitbrak, steunde de overweldigende meerderheid van haar leiding op actieve of passieve wijze de “eigen” regering.

Wat ligt aan de oorsprong van dit vreselijke verraad?

De Tweede Internationale werd in 1889 opgericht als een federatie van (hoofdzakelijk Europese) sociaaldemocratische partijen die, in het algemeen, het marxisme aanhingen. Ze werd opgebouwd in een periode van imperialistische expansie en, over het algemeen, stabiele groei in de ontwikkelde kapitalistische landen. Dit was van beslissende invloed op haar karakter.

Belangrijke gevechten werden gestreden onder de vlag van de Internationale. Grote toegevingen werden afgedwongen – democratische rechten, hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden. In dit proces ontstond een opgeleide en relatief goedbetaalde “arbeidersaristocratie”. De leiding kwam steeds meer uit deze laag, samen met een groep intellectuelen die besloten hun carrière op te bouwen in de arbeidersbeweging.

Verwijderd van de dagelijkse strijd van de arbeiders voelden deze leiders zich steeds comfortabeler met een goedbetaalde job als parlementair of verantwoordelijke in de partij of vakbond. Onvermijdelijk beïnvloede hun omgeving ook hun ideeën. Hun perspectief werd samengevat in de theorie van het “reformisme” zoals de Duitse sociaaldemocraat E. Bernstein die formuleerde – die stelt dat het kapitalisme gradueel weg “hervormd” kan worden via vreedzame parlementaire methodes.

Dit betekende dat de strijd om het kapitalisme omver te werpen stilletjes naar de achtergrond kon worden geduwd. De “strijd” kon geleid worden vanuit zachte parlementaire zetels – met een mooi loon, betaald door de staat!

De reformistische tendens nam steeds dominantere proporties aan. Onvermijdelijk leidde het tot toenemende samenwerking met de kapitalistische klasse. Arbeidersleiders raakten steeds meer betrokken in verschillende staatsorganen. Publieke functies gaven hen bijkomende privileges.

Door deze invloeden werd een nationalistisch perspectief gecultiveerd. Het perspectief van de sociaaldemocratische leiders beperkte zich steeds meer tot de nationale instellingen en het lokale bestuur. Hun band met de internationale beweging beperkte zich tot sentimentele banden en lege retoriek.

De catastrofale gevolgen van dit graduele proces van politieke degeneratie werden zichtbaar in augustus 1914, toen de reformisten bijna unaniem de zijde kozen van de kapitalistische staat. Strijd van de arbeiders om het kapitalisme omver te werpen zou vanaf dan op openlijk en furieus verzet van de reformistische leiders stoten.

Begin 1919 werd een belangrijke brief verzonden naar organisaties van revolutionaire arbeiders in verschillende landen. De brief werd ondertekend door Lenin en Trotski namens de Russische Communistische Partij (de nieuwe naam van de Bolsjewistische Partij) en arbeidersleiders uit verschillende landen. De organisaties werden uitgenodigd voor een congres in Moskou. De bedoeling van het congres werd als volgt omschreven:

“Het congres moet een gezamenlijk strijdfront vormen met als doel de permanente coördinatie en het systematisch leiderschap van de beweging te bekomen, een centrum van de Communistische Internationale, die de belangen van de beweging in verschillende landen ondergeschikt maakt aan de belangen van de internationale revolutie” (Geciteerd in Degras, Volume 1, page 5)

Tijdens dit congres, dat plaats vond van 2 tot 6 maart 1919, werd de Communistische (Derde) Internationale gesticht.

Uit de “platformtekst van de Communistische Internationale”, aangenomen op het stichtingscongres

“Het imperialistisch systeem valt uiteen. Gisting in de kolonies, gisting in de vroeger kleine, afhankelijke naties, opstanden van het proletariaat, succesvolle revoluties in sommige landen, desillusie in de imperialistische legers … – dit is de stand van zaken overal in de wereld vandaag…

“Er is slechts één kracht die [de mensheid] kan redden, en dat is het proletariaat… het moet echte orde creëren, communistische orde. Het moet de heerschappij van het kapitaal breken, oorlog onmogelijk maken, de staatsgrenzen afschaffen, de hele wereld omvormen tot een samenwerkende gemeenschap…

“De groei van de revolutionaire beweging in alle landen, het gevaar dat de alliantie van kapitalistische staten deze beweging zal versmachten, en, ten laatste, de absolute noodzaak om de proletarische actie te coördineren – dit alles moet leiden tot de oprichting van een waarlijk revolutionaire, waarlijk proletarische communistische Internationale.

“De Internationale … zal de internationale assistentie tussen het proletariaat van verschillende landen belichamen… [Ze] zal de uitgebuite koloniale volkeren ondersteunen in hun strijd tegen het imperialisme, om het imperialistische wereldsysteem ten val te brengen.”

De inspirerende stappen voorwaarts van de arbeidersklasse in 1918-1919 waren echter slechts het startschot van een uitgerekte periode van revolutie en contrarevolutie. In dit proces van opgang en neergang van de klassenstrijd in Europa waren de arbeiders niet in staat om hun verworvenheden te behouden.

Twee belangrijke factoren lagen aan de basis van een reeks nederlagen: ten eerste het doelbewuste verraad van de sociaaldemocratische leiders; ten tweede de onvolwassenheid van de revolutionaire stroming in de arbeidersbewegingen buiten Rusland – m.a.w. de zwakte van echte marxistische leiders, zelfs in die partijen die deel uitmaakten van de Derde Internationale.

In Duitsland hadden grote delen van de arbeidersklasse nog illusies in de reformistische SPD-leiding. In november 1918 werden de reformisten, onder leiding van Noske en Scheidemann, in een regering geduwd, als bewuste agenten voor de contrarevolutie.

Hun strategie bestond erin om de arbeidersklasse te overhalen de autoriteit van het “democratische” kapitalistische parlement te aanvaarden. Vervolgens hervormden ze het leger met als doel de arbeidersraden te vernietigen.

Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, de briljante revolutionaire leiders van de Duitse arbeidersbeweging, werden in januari 1919 vermoord door de militaire reactie die hun vroegere partijgenoten en kameraden hadden ontketend.

Maar de Duitse kapitalisten bleven erg zwak en de arbeidersbeweging was allesbehalve verslagen. Veel gevechten moesten nog worden uitgevochten voordat de kwestie van machtsovername voor een langere tijd beslecht zou zijn.

Het lidmaatschap van de Communistische Internationale (“Comintern”) kende een explosieve groei. 51 nationale afdelingen, met een gecombineerd lidmaatschap van 2,8 miljoen leden (waarvan slechts 550.000 in de USSR) waren vertegenwoordigd op het derde congres in 1921.

Veel verschillende politieke tendensen werden opgenomen in de Internationale, variërend van “centristische” (d.w.z. tussen het marxisme en reformisme: revolutionair in woorden maar terughoudend in de praktijk) tot ultralinkse.

In Hongarije waren het de fouten van de ultralinkse communistische leiding die tot de nederlaag van de radenrepubliek leidde. Door hun weigering om het land te verdelen onder de boeren en dogmatisch vast te houden aan de nood tot de collectivisering van het land van de grootgrondbezitters, konden ze de steun van de boeren niet winnen en het land niet verenigen.

Toen de contrarevolutie toesloeg in de vorm van een invasie van Roemeense en Tsjechoslowaakse legers, waren de boeren niet bereid te vechten voor een regering die weigerde hun meest elementaire eisen in te willigen.

In augustus 1919, na vier maanden van heroïsch weerstand, viel de arbeidersrepubliek. Een gruwelijk bloedbad volgde voor de arbeiders tijdens de reactionaire terreur nadien.

In Italië was het gebrek aan ruggengraat van de “revolutionaire”, centristische leiders die de overwinning onmogelijk maakte.

Een massale golf van fabrieksbezettingen in 1920 creëerde een revolutionaire situatie met sovjets die de fabrieken controleerden en rode gardisten die ze verdedigden. De kapitalistische staat was verlamd. De uitdaging was om de arbeiders te mobiliseren en te bewapenen voor de verovering van de macht.

De “marxistische” leiders van de Italiaanse Socialistische Partij moesten onder druk van de basis hun steun uitspreken voor de Comintern. In realiteit waren ze verdeeld en zelfs de “maximalisten” (de linkerzijde) lieten na om de leiding over de strijd te nemen. Zo kon het initiatief overgaan naar de reformisten, die de macht aan de kapitalisten teruggaven – zoals gewoonlijk – in ruil voor enkele tijdelijke toegevingen.

In Frankrijk, Ierland, Groot-Brittannië, Nederland, en vele andere landen slaagde de kapitalistische klasse erin om terug de controle te verwerven over de situatie met de hulp van de reformistische arbeidersleiders. Dit werd steeds mogelijk gemaakt door de afwezigheid van een ervaren, marxistische leiding die in staat zou zijn om gebruik te maken van de enorme mogelijkheden en de reformisten te isoleren, zoals de bolsjewieken hadden gedaan in Rusland.

Tegen 1921 kwam de arbeidersstrijd internationaal in een tijdelijke impasse terecht. Een bijzondere en gevaarlijke samenloop van krachten ontwikkelde zich: enerzijds consolideerde de kapitalistische klasse internationaal haar positie, anderzijds bleef de Russische arbeidersstaat geïsoleerd en uitgeput achter.

De uitputting van de Sovjet-democratie

De Russische arbeiders overleefden de burgeroorlog, maar tegen een verschrikkelijke prijs.

Tegen 1920 was de productie in de grootindustrie gedaald naar 14% van het niveau in 1913. De landbouwproductie viel terug met 16% tussen 1917 en 1921. De staalproductie bedroeg 5% van het niveau in 1913.

In 1921 en 1922 heerste er hongersnood in het oosten en zuidoosten van Rusland, wat leidde tot de dood van 5 miljoen mensen. Het dreef geïsoleerde gemeenschappen naar barbarij en zelfs kannibalisme. Het elan van 1917 veranderde in wanhoop, de wilskracht om de maatschappij te veranderen sloeg om naar een grimmige strijd om te overleven.

Een politieke democratie kan niet overleven onder deze condities. Elke oorlog vraagt een strakke centralisatie van het commando over middelen en mankracht.  Bovendien wordt een revolutionaire burgeroorlog niet alleen bevochten op het militaire front, maar ook tegen deze groepen die onzichtbaar in de maatschappij de contrarevolutie ondersteunen.

De Oktoberrevolutie steunde op het bondgenootschap tussen de arbeidersklasse en de boeren. Die laatsten hadden de arbeidersstaat ondersteund omdat die hen vrede en land had gegeven.

Maar de ontberingen van de oorlog ondermijnden de steun van de boeren voor de revolutie. Gefabriceerde goederen waren amper te verkrijgen, terwijl voedselvoorraden van de boeren voor het Rode Leger en de steden werden opgevorderd.

Enkel de brutaliteit van de Witte legers, en de intentie om grootgrondbezitters terug land te geven, voorkwam dat grote delen van het boerenbestand zich niet achter de contrarevolutie schaarde.

Vrijheid van meningsuiting en organisatie kon niet in stand worden gehouden, als de samenleving in tweeën was gesplitst en de arbeidersmacht aan een zijden draadje hing. Vijandige elementen, agiterend rond de klachten van de massa’s, zouden het land in rebellie kunnen doen ontvlammen hebben en de deur voor de contrarevolutie hebben kunnen openzetten. Trotski legde uit;

“We vechten op leven en dood. De media zijn een wapen, niet van een abstracte samenleving, maar van twee niet verenigbare, bewapende en strijdende kanten. We vernietigen de media van de contrarevolutie, op dezelfde manier als we haar versterkte posities hebben vernietigd, haar winkels, haar communicatie en haar geheime dienst.” (Terrorisme en communisme, pagina 80)

Deze periode stond bekend onder de naam: “oorlogscommunisme”. In die economie werd de consumptie van ’s lands enorm schaarse goederen strikt gecontroleerd. Tegelijkertijd, in de verwachting van de overwinning van de Duitse arbeidersklasse, hoopte de Sovjetregering de wissel te kunnen maken tussen controle over de distributie naar controle over de productie. Men gebruikte de methodes van het oorlogscommunisme als startpunt voor een geplande socialistische economie.

Reformisten en ex-marxisten toonden zich verontwaardigd bij de meedogenlozen maatregelen die de bolsjewisten gedwongen waren te nemen om de contrarevolutie neer te slaan. “Wat is het verschil”, vroegen ze, “tussen de methodes van het bolsjewisme en die van het Russische rijk onder de tsaar ?” Trotski antwoordde:

“Versta je dit niet, heilig man ? We zullen het je uitleggen. De terreur van de tsaar wurgde de arbeiders die vochten voor een socialistische samenleving. Bijzondere commissies worden aangesteld om huisbazen, kapitalisten en generaals dood te schieten die het kapitalisme willen herinstalleren. Snap je dit… verschil? Ja? Voor ons communisten is het duidelijk.”(Terrorism and Communism, pages 78-79)

Repressie, werd door de bolsjewieken echter gezien als een uitzonderlijke en tijdelijke methode, die ze gedwongen waren te gebruiken door de imminente dreiging van de reactie. Zelfs onder deze moeilijke condities was er ruimte voor verzoening met politieke tegenstanders, op voorwaarde dat ze de arbeidersstaat in de praktijk steunden en op basis daarvan campagne voerden voor hun beleid.

Er is op geen enkel moment door de bolsjewieken het idee van een ‘eenpartijstaat’ naar voren geschoven, aangezien er hiervoor ook geen marxistisch argument bestaat.

In de praktijk sloten diegenen die de revolutie steunden zich evenwel in grote getallen aan bij de bolsjewieken. De oppositiepartijen werden steeds meer bij de vijanden van de arbeidersstaat achtergelaten. Ze vochten, en ze verloren.

In juni 1918 sloten de sovjets de rechtse sociaal revolutionairen en mensjewieken uit hun rangen als gevolg van hun betrokkenheid in de contrarevolutie.

Eind augustus in 1920 hielden de mensjewieken hun partijconferentie in Moskou, en kregen er ook media-aandacht voor. Maar tegen 1921 hadden de meeste mensjewistische leiders Rusland verlaten, om hun campagne tegen de arbeidersstaat vanuit het buitenland verder te voeren.

Het congres van de Communistische Partij van 1921 erkende dat de arbeidersdemocratie opgebouwd moest worden. Maar de basis voor arbeidersdemocratie – de eenheid, organisatie en revolutionaire energie van de arbeidersklasse – werd ondermijnd door de bovenmenselijke moeite die nodig is geweest voor het winnen van de oorlog.

De ineenstorting van de industrie betekende een decimering onder de rangen van de arbeiders:

“Tegen 1919 was het aantal arbeiders dat in de industrie werkte afgezwakt naar 76% van het niveau in 1917. Tegen 1920 was het aantal arbeiders in de industrie teruggevallen van drie miljoen in 1917 tot 1.240.000. In twee jaar tijd was de arbeidersbevolking in Petrograd gehalveerd.” (A. Woods and E. Grant, Lenin and Trotsky: What they really stood for, page 75)

De politieke kaders van de arbeiders – de klassenbewuste activisten die hun collega’s hadden gemobiliseerd, stakingen hadden geleid, wapens opgenomen hadden, aan de wieg gestaan hadden van de sovjets en ze ook geleid hadden – waren bijna allemaal verdwenen. Zoals Ilyin-Genevsky in Petrograd al in de begindagen van de oorlog optekende:

“Het front riep voor versterkingen – voor zowel soldaten van het rode leger als leidinggevende figuren… Het comité van Petrograd zond 300 van zulke personen, leden van onze partij, naar het front. We moesten onze beste krachten opofferen aan de eisen van het front” (De bolsjewieken aan de macht, pagina 116-117)

Duizenden van deze revolutionaire kaders stierven in de oorlog. De meeste van de overlevenden werden opgenomen in de ministeries van de arbeidersstaat.

De werkkrachten die overbleven in de fabrieken veranderden naar het tegenovergestelde van de revolutionaire voorhoede van 1917. Al in 1919 waarschuwde een afgevaardigde op het vakbondscongres:

“We zien in een groot aantal industriële centra dat de arbeiders opgenomen worden in de boerenmassa, en in plaats van een bevolking van arbeiders krijgen we een halve boeren of soms zelfs een volledige boerenpopulatie.” (Geciteerd door Woods en Grant, pagina 75)

Met de klassenbewuste arbeiders die gedecimeerd en verspreid waren, met de werkkrachten van ruwe semi-boeren in de fabrieken die dag en nacht worstelden om de productie voort te zetten met de versleten apparatuur en de voortdurende tekorten, hielden de sovjets op te functioneren.

Het Al-Russische Congres van de Sovjets, dat normaal elke drie maand samenkwam, was maar één keer per jaar samengekomen tegen 1918; en zelfs die vergaderingen waren onvolledig voorbereid.

Door volledige uitputting waren de massa’s niet meer in staat om directe macht uit te oefenen. Deze factor was bepalend voor de ontaarding van de Russische arbeidersstaat.

Maar, men kan de vraag stellen, of de bolsjewieken er niet voor hadden kunnen zorgen dat de staat een politiek instrument van de arbeidersklasse had kunnen blijven? Ze waren aan de macht – waarom konden ze de bureaucratisering niet uitroeien en een socialistisch beleid voeren?

Deze vraag is ook belangrijk om duidelijk te maken waarom, vandaag, echte socialistische eisen onmogelijk zijn zonder massale participatie van de arbeidersklasse in het bestuur van elk staatsorgaan.

In de volgende drie paragrafen wordt nader ingegaan op de objectieve obstakels waarmee de bolsjewieken werden geconfronteerd, de beperkingen van hun controle over het staatsapparaat bij gebrek aan functionerende sovjets en de gevolgen van de veranderende situatie voor de Communistische Partij zelf.

Bureaucratie en de arbeidersstaat

Lenin legde, kort voor de Oktoberrevolutie, de aard van de arbeidersstaat op een briljante manier uit in zijn boek Staat en Revolutie:

“Naast een immense uitbreiding van de democratie, die voor het eerst een democratie voor de armen wordt… brengt de dictatuur van het proletariaat een reeks beperkingen met zich mee van de vrijheid van de onderdrukkers, de uitbuiters en de kapitalisten. We moeten ze onderdrukken om de mensheid te bevrijden van loonslavernij; hun verzet moet met geweld worden verpletterd… maar het is nu de onderdrukking van de uitbuitende minderheid door de uitgebuite meerderheid. Een speciaal apparaat, een speciale machine voor onderdrukking, de ‘staat’, is nog steeds nodig, maar dit is al een overgangsstaat…” (zie pagina’s 107-110)

Het “afsterven” of het “oplossen” van de staat als gespecialiseerd orgaan van onderdrukking en controle, als gewapende lichamen van mannen die losstaan van de massa van het volk – dit is de politieke maatstaf van de heerschappij van de arbeiders. Lenin vat samen wat het betekent.

“De uitbuiters zijn natuurlijk niet in staat om het volk te onderdrukken zonder een zeer complexe machine.. Maar het volk kan de uitbuiters onderdrukken met een zeer eenvoudige ‘machine’… door de eenvoudige organisatie van de gewapende massa’s (zoals de Sovjets van Arbeiders en Soldaten Afgevaardigden…)” (pagina 110)

Hoe zou deze “eenvoudige machine” in de praktijk werken? Hoe kunnen arbeiders controle over de staat die ze hebben gecreëerd, blijven uitoefenen en de groei van een militaire en bureaucratische elite voorkomen? Lenins basisrichtlijnen zijn vandaag de dag nog net zo geldig als op de dag dat ze werden geschreven:

  1. “Geen enkele ambtenaar krijgt een hoger loon dan de gemiddelde geschoolde werknemer…”
  2. “Administratieve taken moeten worden geroteerd tussen de breedste lagen van de bevolking om de kristallisatie van een ingegraven kaste van bureaucraten te voorkomen.”
  3. “Alle werkende mensen moeten wapens dragen om de revolutie te beschermen tegen bedreigingen uit alle windstreken, zowel intern als extern.”
  4. “Alle macht zou bij de sovjets komen te liggen. De samenstelling van de Sovjets, basisafgevaardigden van de werkplaatsen, die direct werden teruggeroepen, verplichten de afgevaardigden om verslag uit te brengen aan de massabijeenkomsten van hun arbeiders… en zo te zorgen voor een maximale massaparticipatie.” (R. Silverman and E. Grant, Bureaucratism or workers’ Power?, page 3)

De revolutie had de oude tsaristische staat in die mate vermorzeld dat de meest reactionaire generaals en edelen aan het hoofd van de ministeries en de strijdkrachten werden verdreven. De communisten namen hun plaats in waar mogelijk. Maar een grondige transformatie van het staatsapparaat was onmogelijk met de middelen van de geïsoleerde Sovjet-Unie. De bolsjewieken telden in februari slechts 23.600 leden. Een minderheid van dit aantal vormde het kader van de partij, in staat om anderen te leiden en in de strijd voor het partijprogramma. Het staatsapparaat, daarentegen, telde honderdduizenden ambtenaren.

“Specialisten” en ervaren ambtenaren van het oude regime konden niet worden vervangen; zij moesten worden behouden, zelfs als dat zou betekenen dat ze met privileges zouden worden omgekocht. In de stad Vyatka bijvoorbeeld, waren in 1918 niet minder dan 4476 van de 4766 ambtenaren oudgedienden van de Tsaar.

Trotski legde in zijn boek, De Verraden Revolutie uit, hoe groot de impact hiervan was: “Een arbeidersstaat is een brug tussen een burgerlijke (kapitalistische) en socialistische samenleving.” Haar taak bestaat erin om een samenleving te creëren van overvloed door op een geplande manier om te gaan met haar middelen, waardoor de klassentegenstellingen – en de staat zelf als een orgaan van klassen heerschappij – zullen verdwijnen.

Doorheen de eerste fase moet de arbeidersstaat binnen het economisch kader dat hij heeft overgeërfd van het kapitalisme opereren. Men moet de vaardigheden gebruiken van die mensen die hun opleiding onder het kapitalisme hebben gekregen, en de methodes die van tel waren onder het kapitalisme zoals arbeidsverdeling, de uitbetaling van lonen, e.d…

De hele ontwikkeling van de arbeidersstaat wordt dus bepaald door “de veranderende relatie tussen de burgerlijke en socialistische tendensen” (pagina 54) – bijvoorbeeld, tussen de overblijvende elementen van het oude burgerlijke staatsapparaat en de methode van top-down controle ervan, en de ontwikkeling van een arbeidersklasse georiënteerde bottom-up beheer.

Enkel door de toenemende zeggenschap van de arbeidersklasse over de samenleving kunnen de laatste restanten van het kapitalisme uitgeroeid worden.

In het achtergebleven Rusland hadden de sovjets echter opgehouden te bestaan als organen van het gewapende volk. Het dagelijks bestuur was in handen van een leger van niet-communistische ambtenaren, die het perspectief van de bevoorrechte lagen in de samenleving vertegenwoordigen.

Bureaucratie in een achtergesteld land, legde Trotski uit, is een product van die achtergesteldheid zelf – de zwakte van de arbeidersklasse, haar gebrek aan vaardigheden, en de positie van macht waarvan de ambtenaren kunnen genieten:

“De basis van de bureaucratische heerschappij is het gebrek van de maatschappij aan consumptiegoederen, met de daaruit voortvloeiende strijd van ieder tegen allen. Als er genoeg goederen in een winkel zijn, kunnen de klanten komen wanneer ze willen. Als er slechts weinig goederen zijn, kunnen de kopers nog steeds komen wanneer ze willen, maar wanneer er een tekort aan goederen is, moeten de klanten in de rij staan. Als de rijen erg lang zijn, is het nodig om een politieagent aan te stellen om de orde te handhaven. Dat is het startpunt van de Sovjet-bureaucratie. Zij ‘weet’ wie iets moet krijgen en wie moet wachten.” (Revolution betrayed, pg 112)

Daarmee wordt de bureaucratie in een geïsoleerde, achtergestelde arbeidersstaat niet ineens overbodig om nadien “weg te sterven”. In de mate dat de “onderontwikkelde” arbeidersklasse niet in staat is om haar functies over te nemen, krijgt de bureaucratie, minstens voor een periode, een objectieve reden om haar bestaan te rechtvaardigen.

Via de bureaucratie werd de druk van de reactionaire klassen uitgeoefend op en binnen de Russische arbeidersstaat. Dit werd steeds duidelijker naarmate de uitputting van de sovjets, de ambtenaren meer vrijheid gaf om te handelen zoals zij dat wilden.

De politieke vertegenwoordigers van de arbeidersklasse, georganiseerd in de Communistische Partij, werden steeds meer tot een hard bevochten strijd tegen de bureaucratie gedwongen.

Lenin, die in de laatste twee jaar van zijn leven door ziekte werd geveld, werd zich sterk bewust van de gevaren van de situatie. Op het vierde Comintern-congres in 1922 gaf hij de internationale afgevaardigden deze openhartige inschatting van de situatie in Rusland:

“Ongetwijfeld hebben we een heleboel domme dingen gedaan, en zullen we dat nog doen… Waarom doen we deze dwaze dingen? De redenen zijn duidelijk: ten eerste, omdat we een achtergesteld land zijn; ten tweede, omdat het onderwijs in ons land op een laag niveau staat; ten derde, omdat we geen hulp van buitenaf krijgen. Geen enkel ontwikkeld land helpt ons. Integendeel, ze werken ons allemaal tegen; ten vierde is onze staatsmachinerie de schuldige. Wij hebben de oude staatsmachinerie overgenomen, en dat was ons ongeluk. Heel vaak werkt dit apparaat tegen ons… We hebben nu een enorm leger van overheidspersoneel, maar het ontbreekt ons aan de voldoende opgeleide krachten om werkelijk controle over hen uit te oefenen.” (Lenin, Het vierde Congres van de Communistische Internationale, pagina 19)

Met “opgeleide krachten”, bedoelde Lenin communistische arbeiders, georganiseerd en in staat om de “specialisten” te controleren. Lenin kon geen onmiddellijk antwoord geven aan het probleem, omdat er in Rusland zelf geen was.

“In al onze agitatie,” zei Lenin, “moeten we uitleggen dat de tegenslag die we hebben gehad, een internationale tegenslag was, dat er geen andere weg is, dan een internationale revolutie.” (Geciteerd door Trotski in zijn ‘Geschiedenis van de Russische Revolutie’)

Met andere woorden, enkel de verovering van macht door de arbeidersklasse in ontwikkelde landen, en het verlenen van grootschalige technische bijstand aan hun broeders en zusters in Rusland, zouden de basis voor de bureaucratische macht kunnen wegnemen.

Print Friendly, PDF & Email
Scroll To Top