Home » Brochure. Stop de vermarkting van het onderwijs

Brochure. Stop de vermarkting van het onderwijs

onderwiisbrochure web

 

Download de PDF 

De afbraak van het onderwijs is niet nieuw. Al decennia lang zetten rechtse regeringen over heel de wereld de aanval op het hoger onderwijs in. Al decennia lang vechten jongeren terug – van Chili tot Engeland, van Spanje tot Zuid-Afrika. Ook in Nederland kwamen studenten steeds weer de straat op. Na enkele jaren van relatieve rust, komt er een nieuwe studentenbeweging op gang die de handen ineenslaat met de universiteitsdocenten, georganiseerd in de nieuwe actiegroep WO In Actie. Dit werpt ook discussie op binnen de beweging. Wat is er precies mis met het onderwijs vandaag de dag? Voor welk alternatief vechten wij? En hoe kunnen we dat alternatief bereiken? Met deze brochure willen wij, leden van Socialistisch Alternatief, een bijdrage leveren aan deze discussie.

De huidige situatie

Onze generatie studenten wordt geconfronteerd met enorme problemen in het onderwijs. Dat heeft in de eerste plaats te maken met een gebrek aan middelen. Met steeds minder middelen moet aan steeds meer studenten onderwijs gegeven worden. Werd in 1980 nog bijna 7% van het BNP aan onderwijs uitgegeven, in 2016 was dit gedaald tot nog maar 5,6%. In 2000 gaf de overheid nog 19.000 euro per student uit, in 2016 was dit nog maar 15.000 euro. Dit betekent een enorme verhoging van de werkdruk voor de docenten, onderzoeksmedewerkers en ander personeel, en een achteruitgang van de kwaliteit van het onderwijs voor de studenten. Universiteiten moeten vechten om hun deel van de taart, maar die taart wordt steeds kleiner. Ze bezuinigen vooral op de “onrendabele” menswetenschappen. Studenten worden zo snel mogelijk door de opleiding gejaagd, keuzevakken worden afgeschaft.

Daarnaast heeft de vermarkting van het onderwijs hard toegeslagen. Universiteiten zijn geen kenniscentra meer, maar leerfabrieken. Bestuurders krijgen topsalarissen en besturen universiteiten als bedrijven die vooral rendabel moeten zijn. Reserves worden niet gestoken in de kwaliteit van het onderwijs of in het personeel, maar worden geïnvesteerd om nog meer vermogen te creëren. Zo is de Utrechtse universiteit één van de grootste vastgoedeigenaren in Utrecht. Universiteiten worden met name voor onderzoek steeds afhankelijker van financiële steun door grote bedrijven, die het echter niet gaat om onafhankelijk onderzoek ten dienste van de maatschappij, maar om het zoveel mogelijk vergroten van hun winst. Ze gaan daarbij soms zelfs over lijken. Zo werkt de TU Delft samen met het bedrijf Airbus, dat niet alleen vliegtuigonderdelen produceert maar ook wapens levert aan o.a. Saoedi-Arabië, dat in een bloedige oorlog met Jemen verwikkeld is. Cynisch genoeg levert Airbus ook allerlei materieel om vluchtelingen buiten Europa te houden. En de Universiteit van Amsterdam werkt samen met Shell, niet alleen berucht vanwege haar steun aan het Apartheidsregime in het verleden, maar ook vanwege haar rol in Nigeria. De oliewinning daar leidt tot vernietigende gevolgen voor het milieu en de bevolking, en volgens Amnesty International was Shell medeverantwoordelijk voor het vermoorden, verkrachten en martelen van protesterende inwoners van Ogoniland in de jaren negentig.

Met de invoering van het “sociaal” leenstelsel in 2015 is de toegankelijkheid van het hoger onderwijs nog verder onder druk komen te staan. De basisbeurs is afgeschaft, als je ouders een laag inkomen hebben is het nog wel mogelijk een aanvullende beurs te krijgen van maximaal 378 euro. Maar dit is nog niet eens genoeg om je huur van te betalen, laat staan je eten, ziektekosten, collegegeld, boeken…. Alle studenten moeten dus forse bedragen gaan lenen. Voor de invoering van het leenstelsel was de gemiddelde studieschuld al 20.000 euro. Dit schrikt natuurlijk vooral kinderen uit de arbeidersklasse af. Het aantal kinderen van laagopgeleide ouders dat naar het hoger onderwijs ging daalde dan ook na de invoering van het leenstelsel met 15%. Als doekje voor het bloeden is het collegegeld voor het eerste jaar gehalveerd, maar daarna is het nog steeds 2060 euro. Sinds de jaren zeventig is het collegegeld maar liefst verzestienvoudigd. Instellingen voor kleinschalig en intensief onderwijs mogen tot vijf keer het normale collegegeld vragen, privé-instellingen mogen zelfs zoveel collegegeld vragen als ze willen! Voor een kleine studentenkamer betaal je al snel 400 euro per maand, zo niet meer. Studenten zijn gedwongen zich diep in de schulden te steken en/of te werken naast hun studie. Dit voert de druk natuurlijk gigantisch op, bovendien verdringen supergoedkope studenten andere werknemers op de arbeidsmarkt. Er werd beloofd dat de opbrengst van de invoering van het leenstelsel gebruikt zou worden om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, maar in de praktijk komt daar niets van terecht. We zien geen serieuze investeringen in het onderwijs, alleen maar kleine concessies. De geplande ‘doelmatigheidskorting’ betekent dat er netto niet geïnvesteerd, maar bezuinigd zal worden.

In 1999 sloten verschillende West-Europese landen de Bologna-akkoorden, die bedoeld waren om de aanvallen op het hoger onderwijs te stroomlijnen en te coördineren. Doel was het transformeren van het hoger onderwijs naar het Angelsaksisch model: topuniversiteiten voor de kleine elite, met torenhoge collegegelden (in de VS betaal je al snel 20.000 a 30.000 dollar per jaar), minderwaardig onderwijs voor de massa die dat niet kan betalen. Europese universiteiten moeten steeds meer door het bedrijfsleven gefinancierd worden en met elkaar en met Amerikaanse universiteiten concurreren. Het bachelor- master en het semestersysteem werden ingevoerd, wat de studiedruk enorm opvoerde en competitie tussen studenten bevorderde (immers, er zijn voor sommige masters maar een beperkt aantal plaatsen. De financiering werd gewijzigd van een input-systeem (waarbij het aantal ingeschreven studenten het budget bepaalt) naar een outputsysteem (waarbij het budget grotendeels afhangt van het aantal diploma’s). Dit prikkelt instellingen natuurlijk om te selecteren aan de poort, wat steeds vaker gebeurt. De Bologna-akkoorden werden voorgesteld als progressief, omdat het studenten in staat zou stellen aan buitenlandse universiteiten te studeren. In de praktijk is dit vanwege de hoge kosten slechts voorbehouden aan een kleine groep studenten. Voor beurzen voor een studie in het buitenland vinden dikwijls strenge selectieprocedures plaats. Nederlandse universiteiten proberen zoveel mogelijk internationale studenten aan te trekken, dit levert hen immers veel op. Afhankelijk van WAT je studeert en WAAR, betalen internationale studenten van binnen de EU tussen de 2000 en 5000 euro voor een master per jaar, en studenten van buiten de EU moeten zelfs 6000 tot 12.000 voor een bachelor jaar ophoesten en tussen de 8000 en 20.000 euro voor een master jaar. Dit levert bijkomende problemen op, zoals een steeds grotere woningnood onder studenten, universiteiten investeren immers niet in extra studentenkamers voor de grote aantallen internationale studenten die ze aantrekken.
In september 2017 nam een lid van onze zusterorganisatie die in Nederland studeerde het initiatief om een actiegroep rond huisvesting op te zetten met Nederlandse en internationale studenten in Utrecht – ‘We Want Woonruimte’. Het afgelopen jaar heeft deze actiegroep drie goed bezochte protesten georganiseerd tegen de schrijnende woningnood en tegen de rol die de universiteit heeft gespeeld bij het creëren hiervan. Onbetaalbare huisvesting is een probleem dat elke grote stad teistert in de kapitalistische wereld, niet alleen in Nederland. Het is tekenend voor het systeem dat het niet in staat is een dergelijke basisbehoefte te vervullen, ondanks de enorme rijkdom die het tot zijn beschikking heeft.

Hoe is deze situatie ontstaan?

Daarvoor moeten we terug naar de geschiedenis. De geschiedenis van het onderwijs hangt samen met de ontwikkeling van de productiekrachten en productieverhoudingen in de maatschappij. De prekapitalistische maatschappijen werden gekenmerkt door een relatief laag technologiepeil, waardoor georganiseerde vormen van onderwijs voor het grote deel van de bevolking niet echt nodig was. Met de opkomst van de handel en de nijverheid in de steden vinden ook veranderingen plaats in het onderwijs. Er is behoefte aan mensen die handelsbalansen kunnen opstellen, rechtsregels kunnen maken, of iets weten over geografie. In de steden ontstaan scholen die zich specialiseren in boekhouden, rechtsleer, aardrijkskunde, diplomatie… Echter, nog steeds is het onderwijs voorbehouden aan een zeer beperkte laag van de bevolking. De nadruk van het onderwijs ligt nog steeds op disciplinering, selectie en concurrentie. Lijfstraffen zijn heel gewoon, en het motto is: stilzitten, zwijgen en accepteren wat de leraar zegt. Het is dit onderwijssysteem dat model zal staan voor het onderwijs in de kapitalistische samenleving.

Voor de overgrote meerderheid van de bevolking betekent de doorbraak van het kapitalisme in Europa aan het einde van de 18e eeuw geen verbetering van hun levensstandaard. Integendeel, het kapitalisme is weliswaar in staat de hele maatschappij op korte tijd compleet om te gooien door de productiemiddelen en technologie te revolutioneren, deze enorme ontwikkeling wordt gevoed door zweet, bloed en tranen van miljoenen arbeiders die gedwongen worden te leven en te werken als beesten.

De ontwikkeling van het kapitalisme brengt echter ook de ontwikkeling van de arbeidersbeweging met zich mee. Arbeiders beginnen zich te organiseren om betere leef- en werkomstandigheden af te dwingen. Eén van de eisen is het recht op onderwijs, en de afschaffing van de kinderarbeid. De arbeiders van de 19e eeuw hebben een bijzonder lage levensverwachting, en ook arbeiderskinderen behalen zelden de volwassen leeftijd door ondervoeding, slechte woonomstandigheden, gebrek aan medische zorgen en kinderarbeid. Tegelijkertijd betekent de ontwikkeling van de technologie dat steeds ingewikkelder machines geïnstalleerd worden in de werkplaatsen. In de meest geïndustrialiseerde landen ontstaat zo een algemener stelsel van basisonderwijs, dat beperkt is tot het aanleren van de hoogst noodzakelijke vaardigheden. De algemene en verdere vorming, zoals die aan de universiteiten wordt gegeven, blijft voorbehouden aan een beperkte elite van zonen uit de kapitalistenklasse.

Het einde van de tweede wereldoorlog is een keerpunt in de wereldgeschiedenis. Op basis van de successen van het Rode Leger weet de Sovjet-Unie haar eigen maatschappijmodel te exporteren tot diep in Europa. Weliswaar is de Sovjet-Unie op dat ogenblik al lang niet meer de democratische arbeidersstaat van de eerste jaren na de Oktoberrevolutie, en zullen de nieuwe “socialistische” staten in Oost-Europa ook nooit democratische arbeidersstaten zijn. Maar de aanwezigheid van arbeidersstaten met een planeconomie, uitgebouwde sociale voorzieningen, volledige tewerkstelling, en fatsoenlijk en gratis onderwijs voor iedereen, baart de kapitalisten in West-Europa ernstig zorgen. De sociale voorzieningen die de stalinistische republieken weten uit te bouwen, betekenen een richtpunt voor de West-Europese arbeidersklasse. De kapitalisten besluiten dan ook te proberen de revolutionaire ambities van de arbeidersbeweging af te kopen door enorme toegevingen te doen tegenover de arbeidersbeweging. Een van de eisen van de arbeidersbeweging is de democratisering van het hoger onderwijs.

De enorme economische groei van de jaren ’50 en ’60 biedt ook een zekere ruimte om in de meest geïndustrialiseerde landen een sociale welvaartsstaat te scheppen. Tegelijkertijd heeft de groeiende economie behoefte aan een steeds grotere instroom van hoogopgeleide arbeidskrachten. Vanaf de jaren ’50, en zeker vanaf de jaren ’60 vindt een enorme democratiseringsgolf plaats. Als er in het begin van de 20e eeuw nog slechts een kleine 3000 studenten in Nederland zijn, loopt dat op tot bijna 30.000 in 1950 en in het jaar 2000 tot maar liefst 153.000 studenten. Langzaamaan wijzigt ook de sociale samenstelling van de studenten. De lagere middenklasse, en zelfs hier en daar enkele arbeiderskinderen, krijgen toegang tot het hoger onderwijs.

De studentenbeweging raakt steeds dieper geïnspireerd door de golf van radicale strijd wereldwijd: de beweging tegen de oorlog in Vietnam, mei 1968 in Frankrijk, de burgerrechtenbeweging in de VS, de Praagse Lente….. Studenten stellen steeds verdergaande eisen tot democratisering van de toegang tot het hoger onderwijs, het afschaffen van privileges en oubollige tradities, en medezeggenschap over de inhoud van cursussen en de manier van organiseren van het hoger onderwijs. Ook in het conservatieve Nederland komt verzet op: in 1969 bezetten studenten het Maagdenhuis – en werden na vijf dagen met geweld door de politie verwijderd. Ook Nijmeegse studenten bezetten hun universiteit en dopen deze om tot Karl Marx-Universiteit.

Onderwijs en het neoliberalisme

In de jaren ’70 kwam het kapitalisme, na de lange naoorlogse periode van economische groei, opnieuw in crisis. Het Keynesiaanse beleid van het stimuleren van de vraag werkte niet meer, en het neoliberalisme werd het dominante beleid: het vergroten van de winsten door afbraak van lonen, arbeidsvoorwaarden en sociale voorzieningen, zoals onderwijs. De kapitalistenklasse kon dit echter niet zomaar doen, de arbeidersbeweging stond nog sterk. Maar toen vanaf 1989 de stalinistische regimes ineenstortten, werd de arbeidersbeweging enorm in het defensief gedwongen. Rechtse ideologen kondigden aan dat het einde van de geschiedenis bereikt was, en dat het kapitalisme het enig leefbare systeem was. Links raakte in verwarring, en de sociaaldemocratische partijen maakten een enorme ruk naar rechts: ze veranderden van arbeiderspartijen met een rechtse leiding, tot pro-kapitalistische, neoliberale partijen met hooguit een sociaal randje. Het was dan ook niet verwonderlijk dat het PvdA-minister Ritzen was die begin jaren negentig de aanval op het hoger onderwijs inzette en aankondigde, 1,5 miljard gulden te willen bezuinigen. In de eerste helft van de negentiger jaren werd de basisbeurs verlaagd, het collegegeld verhoogd, eerst de tempobeurs en toen de prestatiebeurs ingevoerd enzovoorts.

Het verzet tegen de afbraak

De afbraak van het hoger onderwijs bleef niet zonder verzet. Vanaf eind tachtiger jaren, en vooral in de eerste helft van de negentiger jaren, kwamen tienduizenden studenten de straat op. De grootste actie was in november 1994, en onze organisatie speelde daar een grote rol bij. Offensief, de voorloper van Socialistisch Alternatief, nam het initiatief tot een oproep voor een landelijke scholieren- en studentendemonstratie, op basis van de jongeren die we in de comités van Jongeren Tegen Racisme georganiseerd hadden. De studentenvakbonden sloten zich aan, de staking werd een groot succes: 40.000 scholieren en studenten kwamen de straat op. Ritzen werd gedwongen enkele toegevingen te doen, zo werd het collegegeld niet met 1000 maar met 500 gulden verhoogd. Ook de demonstratie van 2011 van 20.000 studenten, de laatste keer dat studenten massaal in actie kwamen, had een effect: de langstudeerboete, waarbij studenten 3000 euro extra per jaar moesten betalen als ze te lang over hun studie deden, werd uiteindelijk weer ingetrokken.

Toch zijn de diverse rechtse regeringen er sinds de tachtiger jaren in geslaagd een forse afbraak van het hoger onderwijs door te voeren. Het leenstelsel kwam er zelfs zonder enig verzet. Wel waren er in 2015 acties aan de Universiteit van Amsterdam met een nieuwe bezetting van het Maagdenhuis, voor democratisering, meer inspraak en een diversere universiteit. Van de verworvenheden van de zestiger jaren is immers weinig overgebleven, de inspraakorganen zijn volledig verbureaucratiseerd.

Nu worden we geconfronteerd met nieuwe bezuinigingen, de “doelmatigheidskorting” van 183 miljoen euro. Hoogleraren hebben zich georganiseerd in WO In Actie, en eisen investeringen in het hoger onderwijs, tot 2,5% van het BNP (nu is dat 1,7%). Ze hebben acties aangekondigd in september, met steun vanuit de FNV. Studenten sluiten zich hierbij aan en bereiden een landelijke actiedag op Prinsjesdag voor, tegen de kortingen op de budgetten van universiteiten en voor de terugkeer van de basisbeurs. In juni was er al de ‘Mars voor Onderwijs’ in Amsterdam, waarbij 600 studenten en docenten demonstreerden. De politie greep keihard in met knuppels, honden en pepperspray, tegen studenten die in tentjes op het universiteitsterrein wilden overnachten. Dit is overigens niet de eerste keer dat fors politiegeweld tegen studentenacties wordt ingezet: in 1993 trad de ME keihard op tegen een studentendemonstratie van 20.000 jongeren. Er vielen 200 gewonden en meer dan 50 mensen werden gearresteerd. Dit zijn pogingen, om met grof geweld een nieuwe generatie af te schrikken, om in actie te komen. We mogen ons hierdoor niet laten tegenhouden! Massale actie en een goede organisatie, bijvoorbeeld door het instellen van een ordedienst bij elke actie, zijn het beste antwoord.

Hoe kunnen we verdere afbraak tegenhouden en verbeteringen afdwingen? We kunnen een voorbeeld nemen aan de leraren in het basisonderwijs. Al jaren was er enorme onvrede, maar de vakbondsleiding deed niets. In 2014 is het passend onderwijs ingevoerd, wat betekent dat kinderen met gedrags- of leerproblemen niet meer naar een speciale school mogen, maar naar de gewone basisscholen moeten. Dit zou positief kunnen zijn, immers kinderen van diverse achtergronden leren met elkaar omgaan. Maar dan moeten er wel voldoende middelen zijn om alle kinderen voldoende aandacht te geven, en dat is absoluut niet het geval. De klassen zijn juist groter geworden, 30 kinderen is geen uitzondering, daarnaast zijn de administratieve taken fors toegenomen. De leraren kampen dus met een enorme werkdruk, de lonen zijn veel lager dan in het voortgezet onderwijs en daardoor dreigt een tekort te ontstaan van 11.000 leraren over 9 jaar. Voorjaar 2017 richtten drie leraren een facebookgroep op, PO In Actie. Binnen enkele maanden sloten 40.000 leraren zich aan. PO In Actie dreigde een week te gaan staken, en toen sloten de vakbonden zich aan. In oktober 2017 was er een historische staking, waarbij 70.000 basisschoolleraren de straat op kwamen. De regering heeft al enige toegevingen gedaan, zo krijgen de leraren 270 miljoen voor de lonen en 430 miljoen voor de verlaging van de werkdruk. Maar dit is maar de helft van wat de leraren hebben geëist om de problemen echt op te lossen, dus gaan ze door met de acties.

Ook internationaal zijn er voorbeelden dat strijd loont.

De leraren van middelbare scholen in West-Virginia in de VS, geïnspireerd door de scholieren die in actie kwamen voor strengere wapenwetgevingen naar aanleiding van de dodelijke schietpartijen en in sommige staten overwinningen boekten, kwamen in actie voor hogere lonen en meer middelen en wonnen hun staking. Daarna verspreidde de staking zich naar andere delen van de VS.

In Spanje kreeg de scholieren- en studentenvakbond Sindicato de Estudiantes (opgericht door onze zusterorganisatie) het in 2016 voor elkaar, door het organiseren van drie algemene studentenstakingen, dat een belangrijke aanval op het hoger onderwijs werd afgeslagen (het invoeren van extra toegangsexamens voor het hoger onderwijs, al vanaf 16 jaar). Nog indrukwekkender was de beweging in 1987: de scholieren- en studentenvakbond wist havenarbeiders, landarbeiders en arbeiders van autofabrieken te betrekken, zij staakten onder de slogan: ‘de arbeiderskinderen naar de universiteit!”. Als gevolg van deze staking werden de beurzen met 65% verhoogd en het collegegeld voor kinderen uit arbeidersgezinnen afgeschaft!

Kort geleden nog, op 10 mei, organiseerde de studentenvakbond samen met de socialistisch feministische campagne Libres y Combativas een magnifieke studentenstaking tegen seksistisch geweld. Vijf mannen (de zogenaamde ‘wolvenroedel’) hadden een jonge vrouw verkracht, maar kregen slechts lichte straffen voor ‘misbruik’. Als antwoord hierop organiseerden Sindicato de Estudiantes en Libres y Combativas binnen vijf dagen een algemene studentenstaking, waar een miljoen jongeren aan meededen en 120.000 de straat op kwamen! Onder druk van deze protesten werd de wet veranderd, waardoor het makkelijker wordt daders van verkrachting te vervolgen.

Om de afbraak van het onderwijs en het doorvoeren van verbeteringen af te dwingen, is een massale strijd en een brede beweging nodig. De eis van 7% van het BNP aan overheidsuitgaven naar het onderwijs zou de verschillende sectoren kunnen verenigen: studenten, docenten en ander personeel aan de universiteiten, de basisschoolleraren, maar ook leraren en scholieren in het voortgezet – en beroepsonderwijs, waar ook grote problemen spelen door de bezuinigingen. En niet te vergeten: de ouders. Juist de arbeiders hebben er alle belang bij dat hun kinderen toegang hebben tot hoger onderwijs. En zij hebben een belangrijk wapen: economische macht. Door te staken, kunnen zij de kapitalisten raken waar het hen het meeste pijn doet, in de portemonnee.

Het is al een belangrijke stap vooruit dat studenten en docenten aan de universiteiten samen de strijd aangaan. Maar er liggen kansen om ook de arbeidersbeweging te betrekken. De FNV heeft weliswaar een leiding die nog steeds gelooft in het poldermodel, en die strijd eerder afremt dan organiseert, maar er ontstaat steeds meer druk vanuit de basis van de FNV. De beweging van de basisschoolleraren toonde dat al aan. In 2017 was er bovendien een record aan het aantal stakingsdagen, het hoogste aantal in de afgelopen 30 jaar. Onder druk van de leden is de FNV een offensief gestart tegen de regering, tegen flex en voor een beter pensioen. Bij de eerste actie op1 mei kwamen 8000 arbeiders naar het Malieveld, en rond Prinsjesdag volgen er waarschijnlijk nog meer acties. Dit biedt kansen om de eis van 7% van het BNP ook ingang te doen vinden binnen de vakbeweging en een sterke krachtsverhouding op te bouwen. Een algemene staking, vanuit de FNV en studentenbeweging rond een aantal concrete eisen, waaronder die van 7% van het BNP naar het onderwijs, zou de regering in haar bestaan kunnen bedreigen en haar kunnen dwingen, vergaande toegevingen te doen. Rutte 3 zou zelfs kunnen vallen. Een linkse meerderheidsregering op een socialistisch programma is nodig. Maar ook als we een rechtse regering zouden krijgen nadat de huidige valt door strijd, zou deze zwakker staan tegenover de beweging.

Voor welk alternatief vechten?

Het is belangrijk om ons te wapenen tegen de neoliberale argumenten en om te bediscussiëren , wat ons alternatief is. In de neoliberale visie wordt het leenstelsel verkocht met het argument dat je “investeert in jezelf”. Onderwijs is een middel om als individu carrière te maken, en als je eenmaal je diploma hebt wacht je een vetbetaalde baan, waarmee je je schulden wel kan aflossen. Maar in de praktijk is een diploma geen garantie op een goede baan. Weliswaar is de economie de laatste jaren gegroeid en de werkloosheid gedaald, maar de banen die er bij gekomen zijn, zijn hoofdzakelijk flexbanen: tijdelijke contracten, uitzendwerk, nul-urencontracten…. In Nederland zijn 40% van de banen flexbanen. Dit is ook de trend in de onderwijssector zelf. Ook universiteitspersoneel staat onder druk vanwege onzekere contracten. Bovendien zijn nieuwe crises onder het kapitalisme onvermijdelijk. Nu al stapelen de problemen in de wereldeconomie zich op.

In de kapitalistische praktijk van vandaag de dag is onderwijs ook een ideologisch middel: jongeren worden opgeleid tot volgzame werkkrachten, individualisme en de “vrije-markt”-ideologie worden er met de paplepel ingegoten, door het systeem wordt kritisch denken wordt allerminst aangemoedigd, hoewel er gelukkig nog wel professoren zijn die dat wel doen.

Onderwijs zou in onze visie geen middel moeten zijn om later veel geld te gaan verdienen, maar om ieders talenten, mondigheid en vaardigheden tot bloei te laten komen, ten dienste van de hele bevolking, in plaats van ten dienste van de multinationals. De maatschappij zou daar dan ook de kosten voor moeten opbrengen. Nog sterker: de gigawinsten worden over de rug van onze arbeid verworven, maar we zien er maar een fractie van terug. Het gaat dus ook om een rechtvaardige verdeling van ónze collectieve opbrengsten: wij werken voor hun winst.

Vanuit de kapitalistische logica zijn er niet zoveel hoogopgeleiden nodig, maar vanuit de maatschappelijke behoeften wel: we hebben verpleegkundigen en dokters nodig, milieudeskundigen, leraren….. Er is nog steeds geen medicijn voor AIDS, dementie, kanker…Bovendien dreigt een catastrofe door de klimaatverandering.
Het is om te beginnen nodig dat er veel meer middelen naar het onderwijs gaan, en alle bezuinigingen van tafel gehaald worden. Een goede eerste stap zou zijn als de overheid weer 7% van het BNP aan onderwijs zou uitgeven.
Om het hoger onderwijs echt toegankelijk te maken voor alle jongeren, zou het collegegeld afgeschaft moeten worden en boeken en andere leermiddelen gratis moeten zijn. Er zou een studieloon ingevoerd moeten worden dat de kosten van levensonderhoud dekt, zodat ook jongeren uit armere gezinnen een echt vrije keuze hebben tussen gaan werken of gaan studeren. Er zou fors geïnvesteerd moeten worden in sociale woningbouw, om de grote woningnood onder studenten op te lossen.

Concreet vinden we die aanpak ook terug in het onderwijs dat in de eerste jaren na de Oktoberrevolutie in de Sovjet-Unie werd gegeven. Tussen 1917 en 1924 ontwikkelde de Volkscommissaris voor Onderwijs en Cultuur Anatatoli Lunacharsky een onderwijssysteem dat gebaseerd was op de volledige ontplooiing van de jongere tot een mondig en creatief individu. Ten eerste werden alle hindernissen voor de vrije toegang tot het onderwijs afgeschaft: geen collegegeld, geen kosten voor boeken of schoolreizen, geen ingangsexamens. Al op de middelbare school konden kinderen vanaf 12 jaar meebeslissen over het besturen van hun school. De scheiding tussen de verschillende onderwijssystemen werd opgeheven, bijvoorbeeld tussen HBO en universiteit, , en er werd een eind gemaakt aan de kunstmatige scheiding tussen theorie en praktijk. Als de kinderen in de lagere school leerden over de jaargetijden, werd dit gekoppeld aan een bezoek aan de landarbeiders op het veld. In de lessen wiskunde en fysica werden bezoeken ingelast aan fabrieken en elektriciteitscentrales, om de leerlingen ter plaatse te laten vaststellen hoe de geleerde theorieën in de praktijk werden toegepast. Kinderen leerden naast de klassiek leermethodes ook vaardigheden aan door buiten de school deel te nemen aan projecten en stages. In tegenstelling tot de leerstages vandaag lag de nadruk hier niet op het meedraaien in de productie van het bezochte bedrijf of organisatie, maar op het leren van vaardigheden, en het in de praktijk begrijpen van de theorie.

Universiteiten werden omgevormd tot volkshogescholen, waarin eenieder lessen kon volgen én geven. Daardoor werden de sovjetuniversiteiten verzamelplaatsen voor eenieder die een bepaalde vaardigheid wou aanleren, of les wilde volgen over zaken die interessant leken. Treinwagons werden omgebouwd tot tentoonstellingsruimte of theater, en reden het hele land rond om de Sovjetbevolking bekend te maken met de voortbrengselen van de ongelooflijk bloeiende, diverse en vooruitstrevende Sovjetkunst, en om hen aan te moedigen zelf kunstzinnig bezig te zijn, of aan theater te doen. Later zou Stalin een aantal van de progressieve hervormingen in het Sovjetonderwijs terugdraaien. Toch bleven veel verworvenheden ook onder het stalinisme behouden. Niet voor niets waren de sovjetwetenschappers vaak toonaangevend in de meest uiteenlopende disciplines: van menswetenschappen over psychologie, fysica, wiskunde,… Hoewel aan de andere kant een figuur als Trofim Lysenko veel schade aan de genetica en de landbouw kon aanbrengen met zijn foute theorieën, omdat hem de hand boven het hoofd werd gehouden door de stalinistische kliek.

Pas na de herinvoering van het kapitalisme vanaf 1989 zou een einde komen aan de enorme middelen die voorzien werden voor het onderwijs. Letterlijk tienduizenden scholen en universiteiten werden gesloten.

Socialisme is noodzakelijk

In Engeland is er een enorme steun voor de linkse Labour Party-leider Jeremy Corbyn, vooral onder jongeren, mede omdat hij beloofde het collegegeld te zullen afschaffen. Ook in Nederland hebben we een politiek alternatief nodig, een massale partij voor jongeren en arbeiders, die vecht voor gratis en goed onderwijs. Echter, onder het kapitalisme is geen enkele verworvenheid veilig. Dat hebben we in de afgelopen decennia gezien: door strijd afgedwongen rechten, zoals sociale zekerheid, zorg, onderwijs, arbeidsvoorwaarden worden systematisch afgebouwd. Strijd kan verbeteringen afdwingen, maar de kapitalisten en hun politieke vertegenwoordigers zullen altijd proberen die weer af te pakken als de krachtsverhoudingen voor hen gunstiger komen te liggen. Een linkse regering zal moeten breken met het systeem, anders zal ze door de economische sabotage van de kapitalisten gedwongen worden eveneens een neoliberaal beleid te voeren. Dat is de ervaring van de Syriza-regering in Griekenland.

Het kapitalisme heeft ons geen toekomst te bieden. De ongelijkheid in de wereld is nog nooit zo groot geweest: de acht rijkste personen op aarde bezitten zo’n 50% van alle rijkdom… De vernietiging van het milieu bedreigt onze planeet. Individualisering van het probleem van klimaatverandering verbergt slechts de waarheid: volgens een studie van het blad ‘Climate Change’ zijn sinds het industriële tijdperk slechts 90 bedrijven (waarvan 83 olie-, gas- en kolenbedrijven) verantwoordelijk voor tweederde van de klimaatopwarming. De huidige generatie jongeren wacht onder het kapitalisme zelfs in de rijkste landen een toekomst van onzekere banen, woningnood en toenemende armoede. Het is een systeem dat een cultuur schept, waarin verderfelijke vooroordelen zoals racisme, seksisme en homofobie welig kunnen tieren. Als we deze problemen willen beëindigen, moeten we het systeem uitdagen en op wereldvlak omverwerpen.

In een socialistische maatschappij zou de economie niet langer draaien om de winst van een kleine elite, maar om de behoeften van allen. Door de banken en grote bedrijven in gemeenschapshanden te brengen en de economie op democratische wijze te plannen, zouden de middelen beschikbaar komen om iedereen een goed leven te geven. Toegankelijk en goed onderwijs zou een vanzelfsprekendheid worden.

Socialist Alternatief vecht samen met onze zusterorganisaties in meer dan 40 landen, op elk continent, verenigd in het Committee for a Workers International (CWI), voor zo’n socialistische maatschappij. We kunnen een waarlijk democratische maatschappij opbouwen, waarin elk individu zijn volledige potentieel kan ontwikkelen, gebaseerd op solidariteit en wederzijds respect, in plaats van verdeeldheid en vooroordelen. Dit is wat socialisme wezenlijk inhoudt. Ben jij het eens met onze ideeën? Sluit je dan nu bij ons aan!

Stuur een mail naar: info@socialisten.net.

www.socialistischalternatief.nl
CWI: www.socialistworld.net

Print Friendly, PDF & Email
Scroll To Top