Nieuws
Home » Artikelen » Wat ging er mis in Sovjet Rusland – Deel 3

Wat ging er mis in Sovjet Rusland – Deel 3

Deel 3 – degeneratie van de partij

Partijdemocratie

De uitputting van de arbeidersklasse in de Sovjet-Unie legde een kritieke verantwoordelijkheid bij de Communistische Partij en haar leiding om de verworvenheden van de revolutie te verdedigen.

De oorlogsomstandigheden vernietigden de sovjets, de basisorganen van de arbeidersstaat. In 1921 kwam zelfs het uitvoerend bureau van het Congres van Sovjets nog maar drie keer per jaar bijeen. De “Sovnarkom” (de Raad van Volkscommissarissen, of regering) bleef over als het effectieve orgaan van de staatsmacht.

De Sovnarkom bestond uit vooraanstaande communisten, die werden gekozen om het partijbeleid uit te voeren. Vanzelfsprekend opereerden zij binnen de discipline van de partij.

De partij bleef, met andere woorden, de kern en de ruggengraat van de arbeidersstaat. Het gezag werd noodzakelijkerwijs geconcentreerd in de handen van het centraal comité – later werd dat het politiek bureau (“Politbureau”) dat gekozen was door het centraal comité – als gevolg van de extreme centralisatie die de oorlog vereiste.

Trotski gaf op het Comintern-congres van 1920 een voorbeeld van wat dit betekende, in verband met de kwestie van het sluiten van de vrede met Polen:

“Wie heeft over deze vraag beslist? We hebben de Sovnarkom, maar het moet onderworpen zijn aan een zekere controle. Wiens controle? De controle van de arbeidersklasse als een vormeloze chaotische massa? Nee. Het centraal comité van de partij is bijeengeroepen om het voorstel te bespreken en te beslissen of het beantwoord moest worden.” (Geciteerd in E. H. Carr, De bolsjewistische revolutie, pg. 226)

Maar de centralisatie van de macht onder Lenin en Trotski, hoe compromisloos ook, ontaardde in geen enkel stadium in systematische bureaucratische dwang van bovenaf.

De partij en haar kader waren opgebouwd door de strijd om een groot aantal afzonderlijke revolutionaire groepen, elk met hun eigen leiderschap en ideeën, te verenigen rond een marxistisch programma. De methode was die van het debat. Het recht van leden of groepen (“fracties” of “tendensen”) om de leiding in twijfel te trekken en op een georganiseerde manier campagne te voeren voor hun ideeën, werd als vanzelfsprekend beschouwd.

In 1918 bijvoorbeeld kwam de oppositie van de “Linkse Communisten” voort uit scherpe debatten binnen de partij over de kwestie van de vrede met Duitsland. Gedurende veertien dagen gaven zij in Petrograd hun eigen dagblad uit; in Moskou kregen zij de controle over de partijorganisatie.

Maar met het uitbreken van de burgeroorlog sloten de linksen de gelederen met de rest van de partij en namen de strijd op.

De explosie van ongebreidelde arbeidersdemocratie in die eerste dagen wordt goed weergegeven door het verslag van Ilyin-Genevski:

“Een Volkscommissaris [minister] … was in sommige gevallen verplicht geen bevelen te geven, maar verzoeken te richten aan een bestuursorgaan dat aan hem ondergeschikt was. En dit eigen orgaan kon het niet eens zijn met de Volkscommissaris, en kon zijn verzoek weigeren. Dit soort dingen kwam vaak voor. Een breed democratisme in de gang van zaken kwam tot uitdrukking in de leuze ‘macht op lokaal niveau’.” (De bolsjewieken aan de macht, pg. 30)

Zelfs in het rode leger waren critici van Trotski’s leiderschap – in wezen aanhangers van de guerrillaoorlog – in staat om zich te organiseren als een “militaire oppositie” en campagne te voeren voor hun opvattingen. Ze kregen ongelijk in de praktijk.

Eind 1920 ontstond de zogenaamde Arbeidersoppositie, met een programma dat door Carr werd samengevat als “een mengelmoes van de algemeen verspreide ontevredenheid, voornamelijk gericht tegen de groeiende centralisatie van economische en politieke controles.” (De bolsjewistische revolutie, pagina 203)

Hun standpunt werd maandenlang, dag na dag, in de partijpers uitgedragen. Een pamflet met hun zaak werd verspreid op het partijcongres van maart 1921, waar de kwesties volledig zouden worden besproken.

De werkzaamheden van het congres werden echter dramatisch onderbroken door de opstand van matrozen op de marinebasis van Kronstadt, een eiland in de Baai van Finland tegenover Petrograd.

De opstand van Kronstadt

In 1917 behoorden de matrozen van Kronstadt tot de voorhoede van de revolutie. In 1921 was deze generatie naar de oorlogsfronten verdwenen en vervangen door dienstplichtige boeren, politiek onervaren, die onder anarchistische invloed kwamen.

Getroffen door alle grieven van de boeren, die meer vrijheid eisten maar geen programma hadden om de problemen van het land op te lossen, voerden zij een gewapende opstand uit onder het motto “Weg met de bolsjewistische tirannie!”

Dit vormde een meer ernstige bedreiging voor de arbeidersstaat dan de bendes gewapende opstandelingen die nog steeds in delen van het land rondzwierven. Kronstadt controleerde de toegang tot Petrograd. Met Kronstadt buiten controle van de regering, kon Petrograd niet verdedigd worden. Dit gaf de Witten en de imperialisten een unieke kans om een belangrijk centrum van de revolutie aan te vallen.

De Baai van Finland was nog bevroren, verdedigd door zwaar geschut en door de Baltische Vloot, zou onneembaar worden. De tijd om de crisis op te lossen was zeer kort.

De matrozen weigerden zich over te geven. Trotski, met de unanieme steun van de partijleiding, beval de aanval. Na dagen van bittere gevechten werd Kronstadt ingenomen door de bolsjewistische troepen.

Het voortbestaan van de Sovjet-Unie hing weer eens aan een zijden draadje. Zou de opstand zich uitbreiden? Voor de afgevaardigden op het partijcongres was het duidelijk dat een vastberaden en verenigd leiderschap essentieel was. Openlijke verdeeldheid in de partij zou op dit punt door de vijand aangegrepen zijn om de arbeiders en boeren van hun stuk te brengen. Er werd besloten dat georganiseerde fracties binnen de partij moesten worden ontbonden.

Lenin vatte de basis voor dit ongeziene standpunt een jaar later samen:

“Als we onze ogen niet sluiten voor de werkelijkheid, moeten we toegeven dat op dit moment het proletarisch beleid van de partij niet wordt bepaald door de aard van haar leden, maar door het enorme onverdeelde prestige dat de kleine groep geniet die de “oude garde” van de partij genoemd zou kunnen worden. Een klein conflict binnen deze groep zou voldoende zijn, zo niet om dit prestige te vernietigen, dan toch om de groep zodanig te verzwakken dat zij beroofd zou worden van haar macht om het beleid te bepalen”. (Verzameld werk deel 33, pg 257)

De centrale woorden waren “op dit moment”. De bolsjewieken wisten dat problemen niet door organisatorische maatregelen alleen konden worden opgelost; op de langere termijn kon eenheid alleen worden gebouwd op discussie, onderwijs en overeenstemming. Het ontzeggen van de rechten van de tendensen kon alleen gerechtvaardigd worden als een noodmaatregel om de onmiddellijke crisis het hoofd te bieden en die opgeheven moest worden zodra de situatie weer onder controle was.

De strijd om de macht in de Communistische Partij

De opstand van Kronstadt onderstreepte het explosieve ongenoegen dat onder de boeren was ontstaan door de opofferingen, tekorten en gedwongen vorderingen die hun tijdens de oorlogsjaren waren opgelegd. Er was geen uitzicht op een onmiddellijke doorbraak van de arbeidersklasse in het Westen. Het was duidelijk onmogelijk om het regime van het oorlogscommunisme voort te zetten zonder het risico van een algemene opstand.

Lenin vatte de situatie in een eenvoudig voorbeeld samen:

“Als we morgen 100.000 eersteklasse tractoren konden geven, ze van benzine konden voorzien, ze van monteurs konden voorzien… zou de gemiddelde boer zeggen: ‘Ik ben voor het communisme.’ Maar om dit te doen, is het eerst nodig de internationale bourgeoisie te verslaan, om haar te dwingen ons deze tractoren te geven.” (Achtste Congres van de R.C.P.(B.), 18-23 maart, 1919. “6. Verslag over het werk op het platteland.” Werken Vol. XXIV, p. 170.)

Het tiende partijcongres van maart 1921 zag geen alternatief dan het opgeven van het oorlogscommunisme (voor het eerst bepleit door Trotski het jaar daarvoor) en het aannemen van wat de “Nieuwe Economische Politiek” (NEP) werd genoemd – een reeks concessies aan de kapitalisten en rijkere boeren die de landbouwproductie beheersten. Het gaf hen winstprikkels om de productie voor de markt op te voeren, als middel om de steden te voeden en de industrie nieuw leven in te blazen.

Met de NEP slaagde men er ongetwijfeld in om de economie weer enigszins tot leven te brengen. In 1922 was de industriële productie gestegen tot 25 procent van het niveau van 1913, zij het hoofdzakelijk in de takken van de lichte industrie die aan de vraag van de boeren voldeden.

Aan de andere kant betekende de NEP een ernstige terugval in het fundamentele streven van de arbeiders naar collectivisering en centrale planning van de economie. Het versterkte in hoge mate de zogenaamde “NEP-mannen” – een soort middenlaag die van de voortdurende tekorten profiteerde om te speculeren en de eigen zakken te vullen.

De krachtsverhouding in de Russische maatschappij kantelde steeds verder tegen de arbeidersklasse. De koelakken en NEP-mannen deelden een bevoorrechte positie met de staatsbureaucratie. Deze lagen werden zelfzekerder en meer vastberaden om hun positie te consolideren. Hun druk op de arbeidersleiders nam toe.

Victor Serge beschrijft de scheeftrekkingen die aan het ontstaan waren:

“Onder onze ogen ontstonden nieuwe klassen: onderaan de ladder de werkloze die 24 roebel per maand ontving; bovenaan de ingenieur die 800 ontving; en daartussenin de partijfunctionaris met 222, maar die heel veel dingen gratis kreeg… Er was smerige, hartverscheurende armoede… terwijl de rijkdom arrogant en zelfvoldaan was… De jongeren dronken, de ouderen dronken, dronkenschap werd een plaag. En het ergste van alles was dat we de oude partij van de revolutie niet meer konden herkennen.” (Van Lenin tot Stalin, pg. 39)

De bureaucratie vormde geen klasse in de marxistische zin (d.w.z. een sociale groepering met een noodzakelijke functie in het productiesysteem). Nu al ontaardde zij in een laag van parasieten, die het tekort aan vaardigheden uitbuitten om zich op legale wijze privileges toe te eigenen.

Het was onvermijdelijk dat de spanningen toenamen tussen de “arrogante, zelfvoldane bureaucratie”, die zich in het staatsapparaat verschanste, en de overlevende bolsjewistische kaderleden. De bureaucratie kon niet gerust zijn zolang de macht in handen bleef van de revolutionaire marxisten. Een strijd om de controle over de Communistische Partij was inherent aan de situatie.

In de partij werd het marxistische kader tot het uiterste belast door de eisen van de publieke taken, terwijl de gelederen van de partij werden aangezwollen door een massale toevloed van nieuwe leden. Het aantal leden steeg van 23.600 in februari 1917 tot 115.000 begin 1918, 313.000 een jaar later, en 650.000 in maart 1922.

Veel van degenen die lid werden, vooral tijdens de donkere dagen van de burgeroorlog, waren militante arbeiders en jongeren die zich aangetrokken voelden tot de partij van de revolutie. Maar in toenemende mate begonnen ex-mensjewieken, bureaucraten, NEP-mannen en andere vijandige elementen, op zoek naar een nieuw werktuig voor hun politieke ambities, hun aandacht op de Communistische Partij te richten.

Al in maart 1919 erkende het achtste partijcongres het gevaar:

“Elementen die niet voldoende communistisch of zelfs regelrecht parasitair zijn, komen in een brede stroom de partij binnen. De Russische Communistische Partij is aan de macht, en dit trekt onvermijdelijk, naast de betere elementen, ook carrière makende elementen naar zich toe… Een serieuze zuivering is onontbeerlijk in de Sovjet- en partijorganisaties.” (Geciteerd door Carr, De bolsjewistische revolutie, pg 212)

De interne partijstrijd raakte tijdens de oorlogsjaren op de achtergrond. De zuivering werd uiteindelijk in 1921-22 doorgevoerd. In tegenstelling tot de meedogenloze bureaucratische aanvallen op de oppositie van latere jaren, ook bekend als “zuiveringen”, bestond deze uit een zorgvuldig onderzoek door lokale partijorganisaties van hun leden, om te bepalen wie van hen door hun inzet en activiteit daadwerkelijk tot de communisten gerekend kon worden.

Een ander besluit van het achtste congres resulteerde in de oprichting van een Volkscommissariaat van Arbeiders- en Boereninspectie (“Rabkrin”) in februari 1920, met als taak het bestrijden van “bureaucratie en corruptie in de Sovjetinstellingen”.

Als Volkscommissaris belast met de nieuwe afdeling had het congres Jozef Stalin aangesteld – een partijlid met een lange staat van dienst, geen theoreticus maar een goed organisator, die buiten de partij zelf nauwelijks bekend was. In 1922 werd Stalin benoemd in een andere belangrijke administratieve functie: die van algemeen secretaris.

Rabkrin faalde volledig in zijn taak. In de praktijk bestonden haar leden, zoals Trotski het uitdrukte, uit “arbeiders die elders waren omgekomen”. Of zoals Lenin opmerkte: “de beste arbeiders zijn meegenomen naar het front.” (Geciteerd door Carr, pg. 232-233)

Maar er waren meer fundamentele redenen waarom het tij van bureaucratische aantasting niet kon worden gekeerd.

Het achtergebleven karakter van Rusland werd politiek weerspiegeld in de zwakte van de arbeidersklasse ten opzichte van de boeren en de reactionaire klassen, nationaal en internationaal. Zoals Lenin het verwoordde:

“Terwijl wij een land van kleine boeren blijven, is er in Rusland een solidere basis voor kapitalisme dan voor communisme.” (Geciteerd in Het Platform van de Gezamenlijke Oppositie, pg. 6)

De sociale zwakte van de arbeidersklasse in de Sovjet-Unie kon niet worden overwonnen door administratieve maatregelen; de druk van de burgerij binnen het staatsapparaat kon niet worden weggenomen door het creëren van nieuwe bureaucratische structuren. De oplossing lag in de politieke regeneratie van de arbeidersklasse door de opmars van de revolutie op internationaal vlak.

De invloed van de bureaucratie drong steeds meer door in de partij. Veel communisten, die opgingen in ingewikkeld administratief werk, werden al door de bureaucratie “geleid”.

Zelfs de partijleiders kwamen onder druk te staan om zich aan te passen aan de “praktische” eisen van de bureaucratie, zich te concentreren op het creëren van stabiliteit in Rusland door organisatorische maatregelen, en de internationale revolutie naar de achtergrond te verschuiven.

In de laatste periode van zijn actief leven, werd Lenin zich steeds meer bewust van de gevaren die de macht van de bureaucratie met zich meebracht. Op het elfde partijcongres in 1922 (het laatste dat hij bijwoonde) liet hij deze waarschuwing horen:

“De [staats]machine weigerde te gehoorzamen aan de hand die haar leidde. Het was als een auto die niet reed in de richting die de bestuurder wenste, maar in een richting die iemand anders wenste: alsof hij werd bestuurd door een wetteloze, mysterieuze hand… misschien van een profiteur, of van een particuliere kapitalist, of van beiden.” (Verzameld werk, deel 33, pg 279)

In deze periode trad Stalin op de voorgrond. Het waren niet zijn eigen persoonlijkheid of bekwaamheden, of zelfs zijn bewuste bedoelingen, die dit kleurloze individu veranderden in de tiran van latere jaren. Het aan de macht komen van Stalin was geheel en al een gevolg van het veranderende evenwicht van krachten in de maatschappij en de staat.

De bureaucratie van de arbeidersstaat begon de “socialistische tendens” te isoleren, en elementen in de arbeidersleiding die politiek zwak waren te corrumperen. Stalin was een sleutelfunctionaris die “het meest consequent en betrouwbaar” bleek voor de bureaucratie. Zoals Trotski uitlegt:

“(Stalin) bracht (de bureaucratie) alle noodzakelijke garanties: het prestige van een oude bolsjewiek, een sterk karakter, enge visie, en nauwe banden met de politieke machine… De kleinburgerlijke visie van de nieuwe heersende laag was zijn eigen visie. Hij geloofde heilig dat de taak om het socialisme te creëren nationaal en administratief van aard was.” (De verraden revolutie, pg. 93, 97)

De uitzonderlijke centralisatie van de macht, teweeggebracht door de burgeroorlog, was voor de bureaucratie de natuurlijke regeringsmethode. Het verschafte de middelen om hun privileges te beschermen tegen de dreiging van toekomstige controle van de arbeidersklasse.

Stalin speelde een centrale rol in de consolidatie van de positie van de bureaucratie binnen het partijapparaat. Vanaf 1922 installeerde hij systematisch zijn eigen volgelingen als afdelings-, district- en provinciesecretarissen. Dit gaf hem effectieve controle over de dagelijkse uitvoering van het beleid, de organisatie van vergaderingen, de verkiezing van congresafgevaardigden, enz.

Deze manoeuvres maakten de weg vrij voor een frontale botsing met Lenin, Trotski en de rest van de bolsjewistische leiding.

Het keerpunt

1923-1924 betekende een keerpunt voor de Sovjet-Unie: het was een periode waarin de tegenstellingen in de staat en de partij in een beslissende politieke strijd uitbarstten.

Tegen het einde van 1922 was Lenin erg ziek na een reeks beroertes. Het was niet langer zeker wanneer en of hij zijn politieke activiteiten zou hervatten.

De bureaucratie stond vijandig en bevreesd tegenover Trotski – naast Lenin de meest gezaghebbende en onverbiddelijke marxistische leider van de partij. Toch waren enkele “oude bolsjewistische” leiders, geleid door politieke bekrompenheid, persoonlijke ambities en twijfelachtige loyaliteiten weigerachtig tegenover het feit dat Trotski, in afwezigheid van Lenin, zijn plaats aan het hoofd van het Politbureau zou innemen.

In december 1922 vormden Zinovjev (toenmalig voorzitter van de Communistische Internationale) en Kamenjev (een naaste medewerker van Zinovjev) samen met Stalin een geheime fractie (later bekend als het trio, of triumviraat) met het specifieke doel: samenzweren tegen Trotski. Dit gaf hen een effectieve meerderheid in het zes leden tellende Politbureau en, als gevolg daarvan, een bevelend gezag over het centraal comité en de partij als geheel.

Het was Lenin, vanop zijn ziekbed, die als eerste de betekenis inzag van wat er gebeurde, en die de strijd opende tegen Stalin en de bureaucratie.

In een korte notitie, later bekend als zijn ‘testament’, schreef Lenin op 25 december 1922: “Kameraad Stalin, die secretaris-generaal is geworden, beschikt over een onbeperkte macht en ik ben er niet zeker van dat hij altijd in staat zal zijn die macht met voldoende voorzichtigheid te gebruiken…”

Tien dagen later voegde hij toe;

“Stalin is te onbeleefd, en dit gebrek, hoewel in ons midden, in het handelen en onder ons, communisten, heel goed te verdragen, wordt onverdraaglijk bij een secretaris-generaal. Daarom stel ik de kameraden voor na te denken over een manier om Stalin uit die functie te ontheffen en iemand anders in zijn plaats te benoemen die in alle andere opzichten verschilt van kameraad Stalin en die slechts één voordeel heeft tegenover hem. Namelijk dat hij toleranter, loyaler, beleefder en attenter voor kameraden is, minder wispelturig, enz… Deze omstandigheid lijkt misschien een verwaarloosbaar detail. Maar ik denk dat het, vanuit het oogpunt van voorzorgsmaatregelen tegen een splitsing, geen detail is en geen kleinigheid, maar iets dat van doorslaggevend belang kan worden.” (Verzamelde werken)

Lenin verduidelijkte niet het ‘doorslaggevende belang’ van het gedrag van Stalin waarvoor hij vreesde, maar wat kon het anders betekenen dan dat Stalin, in conflict gekomen met de beste vertegenwoordigers van het marxisme in de partij, zich het werktuig zou voelen van vijandige krachten – de koelakken, de bureaucratie, de “kapitalisten” en de “profiteurs”?

Dit inzicht zou mede Lenins verrassende eis kunnen verklaren om de algemeen secretaris zo snel na zijn benoeming af te zetten.

Maar terwijl Lenin op zijn sterfbed lag, gedroegen Stalin en zijn fractie zich met toenemende arrogantie en misbruikten zij hun macht in weerwil van alle tradities van de partij.

De zaak bereikte een hoogtepunt met Stalins bureaucratische inlijving van de Sovjetrepubliek Georgië in de USSR (gevormd op 30 januari, 1922) en zijn onderdrukking van de plaatselijke bolsjewistische leiders. Toen Lenin vernam wat er gebeurd was, vond hij dat een strijd tegen deze vreemde tendens in de partij niet meer langer kon worden uitgesteld.

Te ziek om het twaalfde partijcongres in april 1923 bij te wonen, vertrouwde Lenin Trotski de taak toe om de Georgische bolsjewieken te verdedigen en een “bom” tegen Stalin af te leveren.

Maar Stalin trok zich terug, accepteerde alle kritiek van Trotski en corrigeerde zijn formuleringen over de nationale kwestie. Trotski was op dit punt terughoudend om een publieke aanval op Stalin door te drukken, die zou worden gezien als een “machtsstrijd” om Lenins positie en het gevaar voor een mogelijke splitsing van de partij.

Zo werd een confrontatie uitgesteld. Kort daarna kreeg Lenin nog een beroerte en werd hij tot zijn dood in januari 1924 van politieke activiteiten weerhouden.

In de daaropvolgende maanden explodeerden de spanningen in de partij rond twee centrale kwesties: partijdemocratie en economisch beleid.

Op het congres had Trotski een balans opgemaakt van de NEP en gewezen op de gevaarlijke achterstand in de industriële productie. Hij gebruikte een diagram van prijsveranderingen van industriële- en landbouwproducten om zijn punt te illustreren. Het had het uiterlijk van een open schaar: de landbouwprijzen lieten een neerwaartse lijn zien en de industriële prijzen een stijgende lijn.

In maart 1923 bereikten de industriële prijzen 140 procent van het niveau van 1913, terwijl de landbouwprijzen waren gedaald tot minder dan 80 procent. Het probleem dat dit weerspiegelde, werd later de “schaarcrisis” genoemd.

Trotski waarschuwde ervoor, dat als de industriële productie zou blijven dalen en de prijzen zouden blijven stijgen, een breuk tussen de boeren en de werkende klasse, tussen het platteland en de steden, onvermijdelijk zou worden.

Het congres accepteerde Trotski’s argumenten voor een nieuwe wending binnen het kader van de NEP: het ontwikkelen van de staatssector op basis van een centraal plan, en het uitbreiden van de industrie, om uiteindelijk de particuliere sector te absorberen en te elimineren.

Maar deze beleidswijziging bleef een dode letter. De bureaucratie, die aan de “particuliere sector” door banden van gemeenschappelijk privilege, gebonden was, had geen zin om die band te ondermijnen. In de praktijk bleef men net als voorheen vertrouwen op de koelakken om de productie voor winst te verhogen.

In juli en augustus was er een golf van stakingen toen arbeiders hun frustratie over hun barre omstandigheden ventileerden. De leiders – velen van hen oude bolsjewieken – werden op bevel van de bureaucratie gearresteerd. Alle signalen toonden aan dat de ziekte in de partij een gevaarlijk niveau bereikte.

Trotski waarschuwde. Het opsluiten van tegenstanders, legde hij uit, zou niets oplossen terwijl de directe oorzaken van het conflict bleven: gebrek aan economische planning en de greep van de bureaucratie op de partij.

“Dit huidige regime,” schreef Trotski op 8 oktober aan het Centraal Comité, “staat veel verder van elke arbeidersdemocratie af dan het regime onder de strengste periode van oorlogscommunisme.” (Documents of the 1923 Opposition, page 2) De hiërarchie van secretarissen, van bovenaf benoemd, “creëerde de partijopinie,” domineerde de basis en zorgde ervoor dat kritische standpunten geen echt gehoor kregen.

Binnen enkele dagen na Trotski’s protest werd een verklaring uitgegeven door 46 andere vooraanstaande partijleden, waarin ze hun kritiek uitten op de koers van het Politbureau en verschillende voorstellen om deze te corrigeren.

Victor Serge, lid van de oppositie van 1923, legt hun algemene standpunt uit:

“Het land naderde een onherstelbare economische crisis, een crisis die honderdtwintig miljoen boeren tegen de socialistische macht in beweging zou kunnen brengen waardoor de staat overgeleverd zou kunnen worden aan de genade van buitenlands kapitaal door het te dwingen te importeren (op krediet? En onder welke voorwaarden?) grote hoeveelheden gefabriceerde goederen. Om deze crisis te voorkomen moesten bepaalde maatregelen worden genomen voordat het te laat was.

Deze maatregelen waren:

(1) Het herstel van de democratie in de partij, zodat de invloed van de arbeiders voelbaar zou zijn; om de staatsbureaus te ventileren. Dit was de voor de hand liggende voorwaarde voor het succes van alle economische maatregelen.

(2) Het aannemen van een plan voor industrialisatie en binnen enkele jaren een merkbare wederopbouw.

(3) Om de middelen te verkrijgen die nodig zijn voor industrialisatie, dwing de welgestelde boeren om hun tarwe aan de staat te leveren.” (From Lenin to Stalin, page 40)

Zo werden de lijnen van het interne partijconflict duidelijker getrokken. Het was een strijd tussen tegengestelde sociale krachten: tussen een tendens die zich baseerde op de arbeidersklasse, en een die de ‘welgestelde boeren’ en andere bevoorrechte groepen verdedigde.

Het ’trio’ en hun aanhangers werden door deze situatie in beroering gebracht. De verklaring van de 46 werd, tegen alle partijtradities in, verboden en Trotski werd veroordeeld voor het “aanstoken” ervan.

Maar onder druk van de meerderheid van de partij (inclusief het leger en de jeugd) werd de bureaucratie gedwongen een stap terug te zetten. Ze accepteerden de eisen van de oppositie in woorden en verkondigden een “nieuwe koers” van vrijheid en democratie in de partij – maar hielden alle touwtjes van de macht in hun handen.

Trotski antwoordde met een open brief aan partijleden op 8 december, waarin hij waarschuwde dat een “Nieuwe Koers” op papier niet genoeg was. Dat de partij niet kon worden teruggedraaid op de weg van het bolsjewisme tenzij de basis – en de jeugd in het bijzonder – handelde om “het partijapparaat te regenereren en te hernieuwen.” (The New Course, page 71)

Deze brief werd onder de partijwerkers met enorm enthousiasme ontvangen – en door de bureaucratie als een oorlogsverklaring gezien. Het debat zou worden beslecht op het dertiende congres in januari 1924.

De strijd in de partij van de Sovjet-Unie werd echter resoluut doorbroken door de ontwikkelingen in Duitsland in 1923.

De nederlaag van de Duitse Revolutie

De wankele stabiliteit van Duitsland ging er in januari 1923 onderdoor, toen Franse troepen het Ruhrgebied bezetten om gewapenderhand de “herstelbetalingen” op te eisen die de Duitse imperialisten moesten betalen als de prijs van hun nederlaag in de Wereldoorlog.

De Duitse economie zakte ineen. De inflatie, die al in 1922 omhoogschoot, werd astronomisch – waarschijnlijk in de buurt van 1.000.000.000.000.000 procent in 1922-1923 !

De levensstandaard van arbeiders en van de middenklasse stortte in. De arbeidersklasse draaide scherp naar links. Fabrieksraden ontstonden in oppositie tegen de reformistische vakbondsleiders. De KPD (Communistische Partij van Duitsland) groeide met tienduizenden. “Proletarische honderden” (arbeidersmilities) werden gevormd, waarbij tegen de herfst 60.000 arbeiders betrokken waren, die (volgens kapitalistische schattingen) over 11.000 geweren in beschikten.

In twee deelstaten, Saksen en Thüringen, waren linkse SPD-regeringen aan de macht, die van de steun van de KPD afhankelijk waren.

Op 11 augustus bracht een algemene staking de rechtse regering Cuno in Berlijn ten val. Duitsland verkeerde in een revolutionaire crisis.

De arbeidersleiding was onvoorbereid. De KPD-leiding was verdeeld tussen de “centrum”, “linkse” en “rechtse” fracties, met de voorzichtige Brandler aan het hoofd. Aarzeling en onzekerheid kenmerkten de politiek van de partijleiding.

De Comintern werd steeds meer beïnvloed door de strijd in de partij van de Sovjet-Unie. Het conservatisme en de kortzichtigheid van de bureaucratie, overgeslagen van de leiding van de Sovjetpartij, begon de overhand te krijgen.

De vertegenwoordiger van de Comintern in Duitsland, Radek, gaf zijn volledige steun aan Brandler. Nog in juli adviseerde Stalin dat “de Duitsers in bedwang moesten worden gehouden en niet moesten worden aangespoord.” (Carr, The Interregnum 1923-1924, page 195)

Pas met de val van de regering-Cuno accepteerde het Uitvoerend Comité van de Comintern (ECCI) Trotski’s argument dat er in Duitsland een strijd om de macht op de agenda stond, dat er dringend politieke en organisatorische voorbereidingen voor de gewapende opstand moesten worden getroffen.

Maar tragisch genoeg werd dit beleid niet doorgezet. Trotski vat samen wat er is gebeurd:

“Waarom leidde de Duitse revolutie niet tot een overwinning? De redenen daarvoor moeten allemaal worden gezocht in de tactiek, en niet enkel in de gegeven omstandigheden. Hier hadden we een klassiek voorbeeld van een gemiste revolutionaire situatie. Na alles wat het Duitse proletariaat de afgelopen jaren had doorgemaakt, kon het alleen tot een beslissende strijd worden geleid als het ervan overtuigd was dat de kwestie deze keer resoluut zou worden opgelost en dat de Communistische Partij klaar was voor de strijd en in staat was om de overwinning te behalen. Maar de Communistische Partij voerde de wending [naar opstand] weinig resoluut en na een zeer lange vertraging uit. Niet alleen rechts, maar ook links… had het proces van revolutionaire ontwikkeling tot september-oktober 1923 nogal fatalistisch bekeken.” (The Third International After Lenin, page 70)

Het triumviraat was niet in staat om in te grijpen en de KPD-leiding een gedurfd revolutionair begrip van de situatie bij te brengen. Trotski werd opzettelijk geïsoleerd. De gevolgen waren desastreus. Zoals een naaste medewerker van Trotski in 1936 schreef (geciteerd in Ted Grant, The Rise and Fall of the Third International, pagina 28): “Toen de Duitse bourgeoisie eindelijk haar troepen verzamelde, een staat van beleg afkondigde, overging tot het offensief, capituleerde de [KPD] zonder strijd – dat wil zeggen, ze blies de opstand af.” (Het woord van de capitulatie bereikte Hamburg niet op tijd en er vond een geïsoleerde opstand plaats, die na dagen van gevechten werd neergedrukt.)

Het falen van de KPD-leiding kostte de Duitse arbeidersklasse en de Europese revolutie de kans op een overwinning die de loop van de wereldgeschiedenis zou hebben veranderd. In plaats daarvan werd de KPD enkele maanden buiten de wet gesteld. Met massale Amerikaanse hulp werd de Duitse economie gestabiliseerd en trok het kapitalisme zich terug op, van de rand van de afgrond.

Een paar maanden eerder weigerde de Bulgaarse Communistische massapartij, nadat haar leiders dogmatisch weigerden deel te nemen aan een eenheidsregering met de Boerenunie tegen een rechtse militaire staatsgreep. Ook in Polen werden de arbeiders, geïnspireerd tot actie door de Duitse gebeurtenissen, verslagen.

Deze tegenslagen hadden een bepalend effect op de interne partijstrijd in Rusland. Vooral Duitsland werd altijd gezien als de sleutel tot de Europese revolutie. Nu werd duidelijk dat er de komende maanden of jaren geen steun van West-Europa kon worden verwacht.

Er werd een vicieuze cirkel in gang gezet. De toenemende greep van de bureaucratie op de Sovjetpartij (en daardoor op de Comintern) werd een ernstig obstakel voor de ontwikkeling van revolutionaire politiek en leiderschap internationaal. De tegenslagen die hieruit voortvloeiden, versterkten op hun beurt de stromingen van demoralisatie en conservatisme waarop de bureaucratie gedijde.

Minder gepolitiseerde arbeiders begonnen het vertrouwen in het marxistische perspectief van de internationale revolutie te verliezen. Voor de achterlijke lagen begon het scepticisme en cynisme van de bureaucratie er ‘realistisch’ uit te zien.

“Een golf van depressie trok over Rusland,” schreef Serge, “en de bureaucratie ging drie jaar lang zijn eigen weg.” (From Lenin to Stalin, page 42)

Vragen voor discussie:
  1. Toonden de nederlagen van revolutionaire bewegingen in Duitsland, Italië etc. in 1918-21 niet aan dat de Russische revolutie voorbarig was en gedoemd te mislukken?
  2. Heeft het meedogenloze regime van het ‘oorlogscommunisme’ niet de weg bereid voor het stalinisme?
  3. Waarom “stierf” de staat niet “af” onder bolsjewistische heerschappij zoals Lenin voorspelde?
  4. Liet het neerslaan van de opstand van de zeelieden in Kronstadt in 1921 niet zien dat de bolsjewieken autoritair waren?
  5. Als Stalin zo slecht was, hoe werd hij dan secretaris-generaal van de Communistische Partij?
Verdere lectuur
  • Leon Trotski: ‘De Verraden Revolutie’, Marxisme.be 2015
  • Ted Grant en Alan Woods: ‘Lenin en Trotski: hun echte opvattingen’. https://nl.marxisme.be/2009/11/02/lenin-en-trotski-hun-echte-opvattingen/
  • Ted Grant: ‘Opgang en val van de Comintern’, online: https://nl.marxisme.be/1943/11/23/opgang-en-val-van-de-communistische-internationale-2/
  • 1918-1923: Revolutie in Duitsland, Marxisme.be 2018
  • Het ‘testament’ van Lenin: https://www.marxists.org/nederlands/lenin/1922/testament/1.htm

Print Friendly, PDF & Email
Scroll To Top