Nieuws
Home » Internationaal » Afrika » Recensie: ‘What Britain did to Nigeria’ door Max Siollun

Recensie: ‘What Britain did to Nigeria’ door Max Siollun

De Black Lives Matter-beweging in de Verenigde Staten riep vorig jaar bij miljoenen mensen nieuwe vragen op over racisme en de geschiedenis van de slavernij. Maar het moedigde ook meer mensen aan om na te denken over imperialisme. Tijdens het leven van onze grootouders en overgrootouders heerste een handvol Europese landen over 95% van Afrika en grote delen van Azië. ‘Blanke suprematie’ is vandaag een vieze uitdrukking. Honderd jaar geleden was het letterlijk het beleid van het Britse imperialisme.

Door Manus Lenihan (Socialist Party, ISA in Ierland)

Max Siollun is een Nigeriaanse historicus, gespecialiseerd in militaire geschiedenis. Hij verwijst naar Black Lives Matter in de inleiding van zijn boek ‘What Britain did to Nigeria’. Hoewel de toon van het boek hierna overwegend neutraal is, spreken de feiten van de Nigeriaanse geschiedenis voor zich. Deze feiten zijn een gesloten boek voor de meeste mensen in Europa en Noord-Amerika, en zelfs voor velen in Nigeria. Siollun merkt op dat er nog steeds straten en openbare gebouwen in Nigeria zijn vernoemd naar wrede koloniale onderdrukkers als Harold Douglas.

De Royal Niger Company

Rond 1800 stond Groot-Brittannië op het hoogtepunt van de industriële revolutie. Er was een enorme vraag naar palmolie, in de eerste plaats voor zeep om de basishygiëne in de smerige steden te verzekeren, en in de tweede plaats voor het smeren van de machines. Handel en contacten groeiden in de loop van de decennia naarmate Britse handelaars en ambtenaren zich ermee gingen bemoeien en hun gewicht in de schaal begonnen te leggen. In 1886 kreeg de Royal Niger Company van de Britse regering het mandaat om een groot deel van het huidige Nigeria te besturen en te exploiteren. Hoe zat het met de mensen die in dat gebied woonden? De compagnie sloot ‘verdragen’ met de plaatselijke bevolking door middel van geweld en fraude.

De macht van de Royal Niger Company was als een rechtse libertaire fantasie die werkelijkheid was geworden. Zij exploiteerden een uitgestrekt gebied en zetten hun strijdkrachten in wanneer iemand hun winsten in de weg stond. Volkeren zoals de Nembe, die jarenlang als handelaars in dit gebied hun brood hadden verdiend, werden plotseling tot ‘piraten’ en ‘smokkelaars’ verklaard, gearresteerd en doodgeschoten. George Taubman Goldie, in wezen de leider van de compagnie, vernietigde zijn eigen papieren en die van de compagnie, omdat ze een bewijs waren van een bewind van terreur en corruptie tegen het volk van Nigeria.

Het misbruik van de compagnie lokte opstanden van de lokale bevolking uit. Maar de compagnie zou op elke daad van opstand met tien of honderd keer meer geweld reageren. De opstand van de Nembe-bevolking bracht de compagnie in verlegenheid en was één van de factoren die ertoe leidden dat de Britse regering in 1900 haar handvest introk (met een zeer royale schadevergoeding).

De Royal Niger Company bleef zich echter verrijken. Vandaag bestaat zij nog steeds in de vorm van Unilever, één van de machtigste en rijkste ondernemingen ter wereld. Haar merken, waaronder Hellman’s, Lynx, Magnum, Knorr en Lipton, behoren tot de grootste ter wereld. Die lijst omvat ook schoonmaakproducten die ons eraan herinneren dat de geschiedenis van dit bedrijf teruggaat tot de palmoliehandel in de 19e eeuw: Dove, Persil en Sunlight zeep.

Brits bestuur

In kolonies zoals Zuid-Afrika en in Australië heerste Groot-Brittannië via enorme aantallen kolonisten die de inheemse bevolking als minder dan menselijk behandelden. Maar het klimaat in Nigeria was ruw voor Europeanen – op een bepaald moment stierf 10% van de Britten in Nigeria elk jaar aan tropische ziekten. Dus regeerde Groot-Brittannië Nigeria via een systeem van indirecte heerschappij. In het noorden van het land regeerde Groot-Brittannië via een reeds bestaand feodaal systeem van emirs (koningen). Maar in het zuiden bestonden diepgewortelde democratische tradities. De Britten legden ‘stamhoofden’ op aan mensen die nooit eerder een gecentraliseerde heerser hadden gekend.

Achter de façade van deze emirs en stamhoofden regeerde een klein kader van Britse ambtenaren Nigeria. Een Nigeriaanse soldaat ontving een vijfhonderdste van het loon van de Britse officieren die het bevel voerden en was verplicht te groeten naar elke blanke die hij tegenkwam. Hij werd gedwongen blootsvoets te marcheren en kreeg zweepslagen als hij de regels overtrad. De Britten leefden in luxe, met Nigerianen die in al hun behoeften voorzagen. Zij woonden in aparte woningen, beweerden dat de ‘inboorlingen’ ziektes hadden, maar desondanks hadden ze zelf voortdurend affaires met Nigeriaanse vrouwen en misbruikten, in talrijke gedocumenteerde gevallen, kinderen seksueel.

In 1914 werden deze twee regio’s – het islamitische, feodale noorden en het polytheïstische, op clans gebaseerde zuiden – op brutale wijze samengevoegd tot één enkele kolonie. De Britse ambtenaren waren zich er terdege van bewust dat het noorden en het zuiden “even ver van elkaar verwijderd waren wat betreft wetten, bestuur, gewoonten en algemene ideeën over het leven, zowel in deze wereld als in de volgende, als Engeland van China.” Zij wisten heel goed dat er binnen deze brede regio een enorme culturele en politieke diversiteit bestond. Maar ze stelden de kolonie samen uit ongelijksoortige elementen, alleen om een nette boekhouding te kunnen voeren.

De klopjacht op de voortvluchtige Bibi Kala is een voorbeeld van hoe het imperialisme werkte. De Britse strijdkrachten brandden talrijke dorpen plat waarvan zij beschuldigden dat zij Bibi Kala verborgen hielden. Toen zij één dorp binnengingen, had een plaatselijke man het lef hen te vragen wat zij daar deden. Hij werd onmiddellijk met een pistool geslagen en kreeg vervolgens “24 zweepslagen omdat hij het waagde de blanke man aan te spreken.” Uiteindelijk werd Bibi Kala gevonden, verborgen in een kano – niet in één van de dorpen – en opgehangen.

De Britse overheersing betekende dwangarbeid. De Nigerianen moesten lange afstanden afleggen om onbetaald te werken, voor hun eigen voedsel zorgen en soms ziek worden of sterven door de barre omstandigheden. Als mensen weigerden, werden hun dorpen in brand gestoken. De wegen en bruggen die door deze dwangarbeid werden gebouwd hadden slechts twee doelen: soldaten naar binnen brengen en middelen naar buiten halen. De Britse heersende klasse had het lef te beweren dat zij tegen de slavernij vocht en zo vriendelijk was wegen en bruggen te bouwen voor de inboorlingen.

Verzet

Het krachtigste hoofdstuk van het boek gaat over het Nigeriaanse verzet tegen de Britse overheersing. In het noorden verpletterden Britse troepen een religieuze opstand met zo’n wreedheid dat een hele stad voor altijd van de kaart werd geveegd. Er was een gemeenschap van grotbewoners die zich jarenlang verzette tegen Britse aanvallen. In het zuiden was er de Aro-oorlog (1901-2, maar met een lange tussenperiode) en de guerrillastrijd van het geheime genootschap dat bekend stond als Ekumeku. Veteranen van de Eerste Wereldoorlog speelden een sleutelrol in de grote belastingopstand van Yorubaland in 1918. De Vrouwenoorlog, een vreedzame massabeweging van ontzagwekkende omvang, barstte uit in 1929. Van 1945 tot 1949 veranderde de Ladies’ Club van Abeokuta, die was opgericht om Britse etiquette te onderwijzen, in de Women’s Union, een massa-organisatie die het imperialisme uitdaagde met sit-in-protesten (Siollun legt uit dat het concept van een sit-in-protest zijn oorsprong vindt in Nigeria).

De balans van de repressie tegen deze bewegingen is onverbiddelijk. In 1906 werd de Mahdistische opstand met vreselijk bloedvergieten neergeslagen; de stad Satiru werd van de kaart geveegd. In 1929 schoten Britse officieren, opgezweept tot racistische razernij, ongewapende vrouwen neer.

De jaren van deze gevechten – 1906, 1918, 1929, 1945 – vielen alle samen met wereldwijde golven van revolutie, stakingen en protesten. Siollun gaat hier niet op in, en met het weinige dat ik weet van de Nigeriaanse geschiedenis kan ik niet zeggen waarom de strijd op deze manier samenviel. Maar het is opmerkelijk en kan wijzen op een internationaal bewustzijn van de Nigeriaanse massa’s.

Ik had baat bij het lezen van ‘What Britain did to Nigeria’ kort nadat ik Walter Rodney’s boek ‘How Europe Underdeveloped Africa’ uit 1972 had gelezen, dat een marxistische analyse geeft van het imperialisme in Afrika. Een tekortkoming van Siolluns boek is dat het zich niet genoeg richt op de economie, of analytisch of polemisch wordt op de manier waarop Rodney dat doet.

‘What Britain did to Nigeria’ verdient het om een breed publiek te bereiken en zal hopelijk de ogen van miljoenen lezers openen voor de realiteit van de Britse imperialistische overheersing in Nigeria.

Print Friendly, PDF & Email
Scroll To Top